Urban Hymns (deel 3)

In deze serie leg ik een link tussen muziek en stadsgeografie. Het idee is om uiteindelijk twaalf nummers te selecteren in een playlist, genaamd ‘Urban Hymns’.

Vorige week eindigde over de West Coast, deze week gaat over de East Coast. Om precies te zijn over New York. In de jaren tachtig werden in deze stad wijken wereldwijd berucht door de opkomst van gansterrap. Deze week twee nummers die laten zien dat over de tijd de muziek over een stad verandert. Behalve dat het imago voor buitenstaanders kan veranderen, kan ook worden afgevraagd hoe de stad iemand vormt.

  1. Nas – New York State of Mind

In de loop van de twintigste eeuw raakte de maakindustrie in veel westerse landen in verval. Zo ook die in New York, ‘Made in America’ wordt: ‘Made in China’. In Amerikaanse steden leidde de overgang naar de diensteneconomie voor veel Afro-Amerikaanse inwoners tot werkeloosheid en afhankelijkheid. Amerikanen die niet werkten in de industrie konden de steden verlaten om te wonen in suburbane gebieden. Binnensteden werden dus enkel nog bewoond door een geïsoleerde groep arme mensen. De concentratie van armoede die in binnensteden ontstond leidde tot een verandering in de betekenis van armoede.

“I think of crime when I’m in a New York state of mind”

Wilson (1987) beschrijft de ‘new underclass’ waarin deze geconcentreerde groep Afro-Amerikanen samenwoont. Door de ruimtelijke uitsluiting van de lagere klassen uit wijken voor de middenklasse ontstaat er een schaarste aan rolmodellen, kansen en middelen. Werklozen vinden geen baan meer omdat zij niemand meer kennen die wel werk heeft. En doordat inwoners van een slechte wijk minder goed worden behandeld door buitenstaanders is ook ‘koud’ solliciteren steeds moeilijker. Rolmodellen uit de eigen klasse zijn ook schaars omdat veel mannen in de gevangenis zitten, voornamelijk voor kleine drugsgerelateerde vergrijpen. Wilson zegt uiteindelijk dat het leven tussen arme mensen leidt tot een grotere kans op criminaliteit, werkeloosheid, schooluitval, en tienerzwangerschappen. Wat Wilson dus eigenlijk zegt is dat een cultuur van armoede ook de armoede verklaard.

  1. Alicia Keys & Jay-Z – Empire State of Mind

Over de tijd verandert niet alleen de manier waarop we naar steden kijken maar ook naar minderheden. Jencks (1991) schrijft dat onderzoekers minder moeten kijken naar groepen maar meer naar de individuen. In plaats van dat een groep een bepaalde cultuur ontwikkelt, wordt de gemeenschap gevormd door individuen. En zij vormen ook de cultuur van de gemeenschap. Dit inzicht heeft tot andere uitkomsten gezorgd bij onderzoekers. Zo sommen Small & Newman (2001) op dat jongeren die in een armoedige wijk wonen de leidende cultuur liever niet verwerpen om te kiezen voor een straatcultuur. Onderzoek laat zien dat veel jongeren geloven in de kwaliteit van werk, familie en verantwoordelijkheid. Ook vinden Small & Newman dat te gemakkelijk alle etnische groepen over een kam worden geschoren. Niet elke migrantengroep leeft in een kansloze omgeving. Tegenwoordig worden er dan ook boeken geschreven over etnische wijken als ‘escalator regions’. In deze wijken heeft migratie een positief effect op de carrière van een individu omdat het netwerk van mensen uit dezelfde groep juist zorgt voor toegang tot werk en andere voorzieningen (Hedman, 2011).

Op deze laatste uitspraak is ook het thema van het nummer van Jay-Z en Alicia Keys van toepassing. Jay-Z heeft een zware jeugd gehad maar heeft de afgelopen vijftien jaar succes als rapper (nettowaarde van $500 miljoen, 2013). In zijn nummer vergeet hij niet alle anderen voor wie het niet is gelukt om de roltrap te nemen: “Eight million stories out there, … half of y’all won’t make it”. Echter, voor hem en Alicia Keys is New York een plaats geweest waar dromen werkelijkheid worden. Iets wat het voor veel andere inwoners uit slechtere wijken voor hen waar is geweest. En dat bevestigt dan weer de uitspraak van Jencks (1991) dat een lagere klasse niets nieuws is in Amerika.

Volgende week de laatste vier nummers, allemaal met de titel ‘Amsterdam’.

Peter Oosterloo

Advertenties

Urban Hymns

Hobby’s combineren met je studie, een prima bezigheid. Een half jaar geleden begon dit idee te groeien en nu begin ik er eindelijk aan. Het samenstellen van een CD, dus 12 tracks, met stadsgeografisch verantwoorde nummers. Hier volgen de eerste drie:

  1. NEW DORP. NEW YORK – SBTRKT & Ezra Koening (2014)

New Dorp is een wijk van New York. Zoals de naam al verklapt is het een afgeleide van een Nederlandse kolonie ‘Oude Dorp’. New Dorp is door de Engelse kolonisten gesticht na de overname van de Nederlandse kolonie Nieuw Nederland. Tot aan de suburbanisatie van New York was het een van de belangrijkste steden op Staten Island. Staten Island is een van de welvarende buroughs van New York (gezinsinkomen is gemiddeld 43 procent hoger dan dat van NYC, 1999). Het is dus niet zo vreemd dat Ezra Koening (zanger Vampire Weekend) zingt dat zijn girl ‘A City To Run’ heeft vanuit haar limousine.

  1. Good for the City – Kraak & Smaak (feat. Sam Duckworth) (2013)

De eerste keer dat ik dit nummer hoorde was in November 2013. Tegelijkertijd volgde ik college over Berlijn. In één college ging het over de strijd om de gebouwen aan de Spree. Waar populaire uitgaansgelegenheden zijn herontwikkeld omwille van de hoofdkantoren van grote bedrijven zoals MTV. Als ik dit nummer hoor moet ik altijd denken aan een projectmanager die een zaal binnen stapt: “He laid his plans out on the table”. En voor enthousiast publiek oreert en verkondigd: “This will be good for the city, imagine it there looking oh-so pretty”. Waarna het publiek na de verbouwing erachter komt dat zij het karakter van hun stad hebben verloren: “…All our promises were sold. To build a temple of consumption, where stood a temple of the soul”. Gelukkig vond men in Berlijn weer andere marges waarin de subculturen konden opbloeien.

  1. From the Ritz to the Rubble– Arctic Monkeys (2006)

In een artikel (Hadfiel, 2009) over nachtleven en drinkculturen kwam ik opeens een quote tegen uit dit nummer. Criminoloog Hadfield beschrijft hoe de band uit Sheffield perfect samenvat hoe de stad verandert op het moment dat de zon ondergaat: “This town’s a different town to what it was last night. You couldn’t have done that on a Sunday”. Wat gebeurt er dan ‘s nachts? In de rest van het artikel schrijft Hadfield over de ‘culture of excess’. Ook hierbij sluiten de Arctic Monkeys aan als Alex Turner (toen 20) zingt: ‘secretly… [they] want it all to kick off, they want arms flying everywhere and bottles as well’. Waarmee hij het verlangen van andere leeftijdsgenoten omschrijft om voor het plezier op de vuist te gaan met elkaar. Ook de rest van het album ‘Whatever People Say I Am, That’s What I’m Not” geeft kleurrijke omschrijvingen van het Britse nachtleven. De oplossing voor de misstanden in de horeca volgens Hadfield? Meer verantwoordelijkheid leggen bij lokale cafébazen en de politie meer ruimte geven om met hen te onderhandelen. Zo moet er meer grijze ruimte zijn tussen het sluiten van een zaak en het gedogen van problemen. En de oplossing volgens de Arctic Monkeys? In ‘A Certain Romance’ leggen zij uit “They’ll never listen. Because their minds are made up. And course it’s all OK to carry on that way”.

Peter Oosterloo