Urban Hymns (deel 3)

In deze serie leg ik een link tussen muziek en stadsgeografie. Het idee is om uiteindelijk twaalf nummers te selecteren in een playlist, genaamd ‘Urban Hymns’.

Vorige week eindigde over de West Coast, deze week gaat over de East Coast. Om precies te zijn over New York. In de jaren tachtig werden in deze stad wijken wereldwijd berucht door de opkomst van gansterrap. Deze week twee nummers die laten zien dat over de tijd de muziek over een stad verandert. Behalve dat het imago voor buitenstaanders kan veranderen, kan ook worden afgevraagd hoe de stad iemand vormt.

  1. Nas – New York State of Mind

In de loop van de twintigste eeuw raakte de maakindustrie in veel westerse landen in verval. Zo ook die in New York, ‘Made in America’ wordt: ‘Made in China’. In Amerikaanse steden leidde de overgang naar de diensteneconomie voor veel Afro-Amerikaanse inwoners tot werkeloosheid en afhankelijkheid. Amerikanen die niet werkten in de industrie konden de steden verlaten om te wonen in suburbane gebieden. Binnensteden werden dus enkel nog bewoond door een geïsoleerde groep arme mensen. De concentratie van armoede die in binnensteden ontstond leidde tot een verandering in de betekenis van armoede.

“I think of crime when I’m in a New York state of mind”

Wilson (1987) beschrijft de ‘new underclass’ waarin deze geconcentreerde groep Afro-Amerikanen samenwoont. Door de ruimtelijke uitsluiting van de lagere klassen uit wijken voor de middenklasse ontstaat er een schaarste aan rolmodellen, kansen en middelen. Werklozen vinden geen baan meer omdat zij niemand meer kennen die wel werk heeft. En doordat inwoners van een slechte wijk minder goed worden behandeld door buitenstaanders is ook ‘koud’ solliciteren steeds moeilijker. Rolmodellen uit de eigen klasse zijn ook schaars omdat veel mannen in de gevangenis zitten, voornamelijk voor kleine drugsgerelateerde vergrijpen. Wilson zegt uiteindelijk dat het leven tussen arme mensen leidt tot een grotere kans op criminaliteit, werkeloosheid, schooluitval, en tienerzwangerschappen. Wat Wilson dus eigenlijk zegt is dat een cultuur van armoede ook de armoede verklaard.

  1. Alicia Keys & Jay-Z – Empire State of Mind

Over de tijd verandert niet alleen de manier waarop we naar steden kijken maar ook naar minderheden. Jencks (1991) schrijft dat onderzoekers minder moeten kijken naar groepen maar meer naar de individuen. In plaats van dat een groep een bepaalde cultuur ontwikkelt, wordt de gemeenschap gevormd door individuen. En zij vormen ook de cultuur van de gemeenschap. Dit inzicht heeft tot andere uitkomsten gezorgd bij onderzoekers. Zo sommen Small & Newman (2001) op dat jongeren die in een armoedige wijk wonen de leidende cultuur liever niet verwerpen om te kiezen voor een straatcultuur. Onderzoek laat zien dat veel jongeren geloven in de kwaliteit van werk, familie en verantwoordelijkheid. Ook vinden Small & Newman dat te gemakkelijk alle etnische groepen over een kam worden geschoren. Niet elke migrantengroep leeft in een kansloze omgeving. Tegenwoordig worden er dan ook boeken geschreven over etnische wijken als ‘escalator regions’. In deze wijken heeft migratie een positief effect op de carrière van een individu omdat het netwerk van mensen uit dezelfde groep juist zorgt voor toegang tot werk en andere voorzieningen (Hedman, 2011).

Op deze laatste uitspraak is ook het thema van het nummer van Jay-Z en Alicia Keys van toepassing. Jay-Z heeft een zware jeugd gehad maar heeft de afgelopen vijftien jaar succes als rapper (nettowaarde van $500 miljoen, 2013). In zijn nummer vergeet hij niet alle anderen voor wie het niet is gelukt om de roltrap te nemen: “Eight million stories out there, … half of y’all won’t make it”. Echter, voor hem en Alicia Keys is New York een plaats geweest waar dromen werkelijkheid worden. Iets wat het voor veel andere inwoners uit slechtere wijken voor hen waar is geweest. En dat bevestigt dan weer de uitspraak van Jencks (1991) dat een lagere klasse niets nieuws is in Amerika.

Volgende week de laatste vier nummers, allemaal met de titel ‘Amsterdam’.

Peter Oosterloo

Advertenties

Urban Hymns (deel 2)

Dit is deel 2 van mijn idee om een geografisch verantwoorde CD samen te stellen van 12 nummers. Een combinatie van mijn liefde voor muziek met mijn bijna afgeronde studie stadsgeografie. Hier volgende de volgende drie, met uitleg.

Deel 1 gemist?

  1. A Long Time – Mayer Hawthorne (2011)

Dit nummer stond al een lange tijd in mijn jazz playlist. Door verwijzingen naar Henry Ford en Barry White was het duidelijk dat het een nummer over Detroit betreft. Over de Motor City heb ik tweemaal een collegereeks gehad. Vijftig jaar geleden had de stad twee miljoen inwoners maar sindsdien is het verval ingezet. De redenen hiervoor zijn de concurrentie van Aziatische autobedrijven en de suburbanisatie van gegoede burgers waardoor de belastinginkomsten terugliepen. Mayer Hawthorne (Andrew Mayer Cohen) groeide zelf op in Ann Arbor in Michigan, een van de suburbs van Detroit. Zijn artiestennaam is een afgeleide van de straat waar hij opgroeide: ‘Hawtorne Street’. Sinds 2006 woont Mayer Hawthorne in Los Angeles, Californië.

Sinds het nummer is uitgebracht is Detroit failliet verklaard door een publieke schuld van 18 miljard dollar. Van de 700 duizend mensen die nog in de stad wonen, leeft twee derde onder de armoedegrens en één op de drie huizen staat leeg. Veel kavels zijn veranderd in lege grasvelden. De stad houdt het hoofd boven water door donaties van rijke filantropen. Over de periode 2003 tot 2012 betrof het een bedrag van 600 dollar per inwoner, in het totaal 420 miljoen dollar. In vergelijking, alleen San Fransico ontving meer, namelijk 704 dollar per inwoner.

Veel inwoners van de stad zijn trots op de Motor City, zo waren zij bereid om een vrijwillige belasting te betalen ten behoeve van hun prominente museum ‘Detroit Institute of Arts’ met werken van Pieter Breugel en Van Gogh. Echter vinden de inwoners nu dat teveel lasten op de schouders van de inwoners worden gelegd. Pensioenen worden verlaagd (vijf procent) en wanbetaling wordt hard aangepakt. Er dreigt sociale onrust doordat waterleidingen worden afgesloten bij hen die niet betalen. Bijna de helft van de gezinnen in Detroit betaalt de rekening niet, en het waterbedrijf claimt dat zij 90 miljoen dollar per jaar mislopen. Gezinnen zitten door de aanpak soms weken zonder water. De burgers voelen zich uitgebuit omdat banken, verzekeraars en corrupte politici niet worden aangepakt. Of het harde werk en de opoffering dat wordt beschreven door Mayer Hawtorne uiteindelijk zal leiden tot een “return to former glory” is nog te bezien, een ding is volgens mij wel correct: “it’s going to take a long time”.

Benieuwd naar een lijst met alle nummers over Detroit?

  1. In this City – Iglu & Hartly (2008)

Dit feel good pop nummer kwam uit in het jaar dat ik op kamers ging wonen in Utrecht. Voor mij staat dit nummer voor een goede landing in een nieuwe stad. De initiatiefnemers achter Iglu & Hartly kwamen uit Colorado en landden in Los Angeles in hun streven naar een carrière in de muziek. Hier vonden ze de de ruimte om zich te uitten zoals ze thuis niet konden “They can’t express it,… won’t accept it”.

Waarom voel jij je thuis in je woonplaats?

Uiteindelijk zijn er veel plaatsen die je je ‘thuis’ kan noemen. Voor mij betekent je thuis voelen dat je bekenden en vrienden in de buurt hebt, je je gewaarborgd voelt in je huis, je de weg weet en vooral dat je speciale plekjes kent om buitenstaanders te laten zien. Mijn speciale plekken in Utrecht waren restaurant Badhu, café Olivier, snackbar La Brochetta en Pop-o-matic in Tivoli Oudegracht. Zoals in de clip van Iglu & Hartly te zien is moet Shellback Tavern zo’n plaats zijn in LA.

  1. Ice T – 6’N the Morning (1986)

In het L.A. van de jaren 80 was de criminaliteit en drugsproblematiek erg prominent. In deze periode werd de wijk ‘South Central’ met 125 duizend inwoners wereldwijd bekend als een ‘no-go area’ door hip hop en films. In deze media werd een beeld naar buiten gebracht van stedelijke verloedering, gangs en politie invallen. In de laatste veertien jaar is de criminaliteit echter gedaald. Was het moordcijfer in 1993 nog 21.1 per 100 duizend inwoners, in 2009 was dit getal gedaald naar 7.9 per 100 duizend. Onder andere door programma’s gericht op de gemeenschap, interventie in de bendes, en organisaties voor jongeren is het percentage moorden gedaald tot een niveau onder dat van de jaren vijftig. In 2003 is de naam ‘South Central’ veranderd naar ‘South Los Angeles’ in de hoop dat dit een breuk zou leiden met de associaties van verpaupering en georganiseerde misdaad.

Peter Oosterloo

 

Urban Hymns

Hobby’s combineren met je studie, een prima bezigheid. Een half jaar geleden begon dit idee te groeien en nu begin ik er eindelijk aan. Het samenstellen van een CD, dus 12 tracks, met stadsgeografisch verantwoorde nummers. Hier volgen de eerste drie:

  1. NEW DORP. NEW YORK – SBTRKT & Ezra Koening (2014)

New Dorp is een wijk van New York. Zoals de naam al verklapt is het een afgeleide van een Nederlandse kolonie ‘Oude Dorp’. New Dorp is door de Engelse kolonisten gesticht na de overname van de Nederlandse kolonie Nieuw Nederland. Tot aan de suburbanisatie van New York was het een van de belangrijkste steden op Staten Island. Staten Island is een van de welvarende buroughs van New York (gezinsinkomen is gemiddeld 43 procent hoger dan dat van NYC, 1999). Het is dus niet zo vreemd dat Ezra Koening (zanger Vampire Weekend) zingt dat zijn girl ‘A City To Run’ heeft vanuit haar limousine.

  1. Good for the City – Kraak & Smaak (feat. Sam Duckworth) (2013)

De eerste keer dat ik dit nummer hoorde was in November 2013. Tegelijkertijd volgde ik college over Berlijn. In één college ging het over de strijd om de gebouwen aan de Spree. Waar populaire uitgaansgelegenheden zijn herontwikkeld omwille van de hoofdkantoren van grote bedrijven zoals MTV. Als ik dit nummer hoor moet ik altijd denken aan een projectmanager die een zaal binnen stapt: “He laid his plans out on the table”. En voor enthousiast publiek oreert en verkondigd: “This will be good for the city, imagine it there looking oh-so pretty”. Waarna het publiek na de verbouwing erachter komt dat zij het karakter van hun stad hebben verloren: “…All our promises were sold. To build a temple of consumption, where stood a temple of the soul”. Gelukkig vond men in Berlijn weer andere marges waarin de subculturen konden opbloeien.

  1. From the Ritz to the Rubble– Arctic Monkeys (2006)

In een artikel (Hadfiel, 2009) over nachtleven en drinkculturen kwam ik opeens een quote tegen uit dit nummer. Criminoloog Hadfield beschrijft hoe de band uit Sheffield perfect samenvat hoe de stad verandert op het moment dat de zon ondergaat: “This town’s a different town to what it was last night. You couldn’t have done that on a Sunday”. Wat gebeurt er dan ‘s nachts? In de rest van het artikel schrijft Hadfield over de ‘culture of excess’. Ook hierbij sluiten de Arctic Monkeys aan als Alex Turner (toen 20) zingt: ‘secretly… [they] want it all to kick off, they want arms flying everywhere and bottles as well’. Waarmee hij het verlangen van andere leeftijdsgenoten omschrijft om voor het plezier op de vuist te gaan met elkaar. Ook de rest van het album ‘Whatever People Say I Am, That’s What I’m Not” geeft kleurrijke omschrijvingen van het Britse nachtleven. De oplossing voor de misstanden in de horeca volgens Hadfield? Meer verantwoordelijkheid leggen bij lokale cafébazen en de politie meer ruimte geven om met hen te onderhandelen. Zo moet er meer grijze ruimte zijn tussen het sluiten van een zaak en het gedogen van problemen. En de oplossing volgens de Arctic Monkeys? In ‘A Certain Romance’ leggen zij uit “They’ll never listen. Because their minds are made up. And course it’s all OK to carry on that way”.

Peter Oosterloo

De Mythe van de Campus

Veel regio’s kampen met sociaal-economische uitdagingen zoals terugtrekkende multinationals, deïndustralisering, demografische krimp, tekort aan economische groei of de afwezigheid van een toonaangevende economische cluster. Onder invloed van deze structurele problemen zijn veel steden en regio’s op zoek naar oplossingen. Binnen de Nederlandse bestuurstraditie past het om te zoeken in de planologie naar de oplossing. Mede door het toenemende belang van de kennissector en de vraag om multifunctionele, hoogwaardige werkplekken groeit de populariteit van het campusconcept in Nederland. Ook door het succes van de High Tech Campus Eindhoven en de campus in Enschede is er een toename van nationale belangstelling. In 2009 waren er vijfenvijftig campussen in ontwikkeling in Nederland (Kooij, Assche & Lagendijk, 2014). Echter, wat is de campus nou precies? En wat levert het bedrijven op?

Campus is van origine een Amerikaanse interpretatie van het Latijnse campus ( ‘open veld’ ) om een universiteitsgebied aan te duiden. Campus stond in de Verenigde Staten voor het groene karakter van de universiteitsgronden.

Over het meten wat een locatie op een campus nou concreet oplevert zijn veel meningsverschillen in de wetenschap. Kooij, Assche & Lagendijk bekijken de campus met argwaan. Zij zijn van mening dat de gebieden gebaseerd zijn op veel retoriek maar heel weinig effectiviteit. Zoals Rowan & Meyer (1972) beargumenteerden, vinden de drie auteurs de campus een ‘organisational myth’. Een organisational myth omschrijft hoe organisaties middelen en doelen verwarren. Bijvoorbeeld, een ziekenhuis dat het aantal patiënten meet in plaats van het aantal geheelde zieken om succes te meten. Hetzelfde gebeurt ook op campussen, zo lieten Kocak & Can (2013) een campusmanager zien uit Turkije die actief joint ventures aanjoeg. De lokale bedrijven waardeerden deze joint ventures. Echter kunnen hier ook vraagtekens bij worden geplaatst. De lokale overheid, die financieel de campus ondersteunt, meet het succes van de campus onder andere af aan de hand van het aantal joint ventures.

Onderzoek uit Zweden en Italië laat echter zien dat ‘new technology based firms’ en de regionale economie baat hebben bij een science park op het gebied van omzetgroei, werkgelegenheid, intensiteit van relaties met universiteiten en adoptie van nieuwe technologie (BCI, 2009). Het succes van een campus is voornamelijk te verklaren door het behalen van een aantal voorwaarden. Technopolis (2009) omschrijft deze voorwaarden. Ten eerste noemen zij dat de campus het hoofddoel moet hebben om aan te zetten tot onderlinge samenwerking tussen bedrijven, overheid en kennisinstellingen. Hierbij moet worden aangestuurd op ‘open innovatie’ oftewel een uitwisseling van kennis, mensen en kapitaal tussen de drie partijen. Het BCI (2009) voegt hieraan toe dat het een locatie moet zijn met hoogwaardig vastgoed en een ontwikkelde omgeving. Bovendien moeten er gemeenschappelijke faciliteiten zijn en een manifeste kennisdrager, bijvoorbeeld een universiteit of een groot bedrijf.

Belangrijk voor de duurzaamheid van de campus is de mogelijkheid voor startende ondernemingen om zich ook op de campus te vestigen. Voor MKB-ers is de campus van groot belang voor het succes van de onderneming. Ten eerste door de toegang tot kennis maar des te meer door een schaalvoordeel. Zo biedt een campus gedeelde faciliteiten die het risico voor ondernemers spreiden op de aanschaf van nieuwe apparatuur. Een voorbeeld wat vaak wordt aangehaald in de toegang tot ‘clean rooms’. Het aanbieden van werk- en onderzoeksruimte aan starters en spin-offs helpt innovatieve bedrijven door hun onzekere periodes.

Terug te lezen is dus dat een campus voornamelijk draait om kennisdynamiek. Het bouwt door op het belang van innovatienetwerken (Lundvall, 2005; Morgan, 2007). Deze netwerken worden als het ware teruggebracht naar een lokaal schaalniveau om zo het gehele ecosysteem van innovatie op elkaar af te stemmen. De campus onderscheidt zich voornamelijk van een bedrijvencluster door de hoge mate van organisatie en het schaalniveau van de ‘untraded interdependencies’ (Storper, 1995). De ‘untraded interdependencies’ zijn uitwisselingen van kenniswerkers, delen van (dure) faciliteiten en het imago van de campus. Door colocatie hebben betrokkenen baat bij de gebundelde aantrekkingskracht van de campus. Bovendien is een campus door actief beleid op het gebied van goedkoop vastgoed op hoogwaardige locaties en het bieden van groeimogelijkheden in kantoorruimtes ook onderscheidend.

Een van de doelstellingen van een campus is het najagen van ‘open innovatie’. Deze term werd voor het eerst gebruikt door Chesbrough (2003), hij omschrijft dat hierbij binnen netwerken kennis, training, financiering, diensten en dergelijke worden uitgewisseld om een collectief voordeel te behalen. Door de ontwikkeling van ICT is de toegang tot kennis veel makkelijker geworden, bovendien is ook de geheimhouding van R&D activiteiten een grotere uitdaging geworden. Indien dit wordt gecombineerd met vestiging nabij elkaar spreekt men van een ‘open campus’. Op een open campus kunnen betrokken bedrijven en instellingen resources en faciliteiten delen. Vaak is het doel hiervan dat het kostenvoordelen en risicodekking oplevert. Het AWT (2006) stelt dat deze praktijken kunnen leiden tot het ontstaan van ontmoetingsplaatsen voor kenniswerkers, deze bieden de ruimte aan bloeiende interactie en intensieve communicatie met als beoogde doel een vrije uitwisseling van kennis. Een campus biedt innovatieve bedrijven niet alleen verbondenheid maar ook afscherming tegen commerciële druk (Technopolis, 2009).

Zoals al was gesteld wordt ‘open innovatie’ bevorderd door een overkoepelende organisatie. Zij voeren actief beleid om de collectieve voordelen van de campus te benutten. Dit doen zij onder andere door verschillende diensten aan te bieden zoals: management ondersteuning, seed funding assistentie, advies over patentenrechten, interne netwerkactiviteiten en trainingen. Buiten de campus trachten zij passende bedrijven en subsidies of andere investeringen aan te trekken. Belangrijk op een campus is ook het aanbieden van ‘third places’. Dit kunnen ruimtes zijn met een functionele betekenis zoals de eerder beschreven clean rooms. Maar ook ruimtes met ondersteunende functie zoals: vergaderruimtes, eetgelegenheden, auditoria en catering. Of zelfs ruimtes met ontspanning als doel zoals urban farms, sportvoorzieningen of wandelpaden. Vaak hebben campussen een expliciet beleid om het gebruik van deze gelegenheden te vergroten, zoals verplichten om buiten de deur te lunchen (Technopolis, 2009).

Bedrijven hebben netwerken op alle schaalniveaus. Een uitgebreid en hecht netwerk biedt bedrijven kostenvoordelen op basis van opgebouwd vertrouwen. Bedrijven spreiden hun contacten graag om zo lokale risico’s in te dekken. Zij trachten dus om niet enkel afhankelijk te zijn van regionale relaties. In het onderzoek van Kocak & Can (2013) naar bedrijven op Turkse campussen laten zij zien dat bedrijven vaak meer contacten hebben buiten de campus dan op de campus. Echter de overheid heeft baat bij een ontwikkeld regionaal netwerk. Vaak wordt deze gezien als een concurrentievoordeel in de regiomarketing. De concurrentiepositie van een regio wordt namelijk bepaald door de waarde die bedrijven hechten aan een plaats. De toegang tot kennis en kwaliteit van het netwerk spelen hierin een rol. Regionale binding heeft dus een wederkerigheid die in het voordeel kan werken van beide partijen (Atzema et. al., 2006 pp.157-158; 165-166).

Campusontwikkeling wordt vaak gestart vanuit de overheid. Echter, stelt Etzkowitz (2008) heeft een campus een solide basis nodig. Zoals al werd gesteld heeft een campus een manifeste kennisdrager nodig. Er zijn twee verschillende uitgangssituaties van een campus. Meestal is de uitgangssituatie een onderwijsinstelling. De bedoeling van de campus is dan het valoriseren van de kennis die wordt opgedaan in dit publieke domein. Het Science Park in Twente is hier een voorbeeld van. Een campus kan ook berust worden op de R&D spillovers van een bedrijf. De High Tech Campus van Eindhoven is hier een voorbeeld van. Etzkowitz argumenteert dat een campus een resultaat is van het succes van de ondernemerskracht van de kenniswerkers en de ondersteuning vanuit een samenwerking van overheid, bedrijfsleven en onderwijs om hun spin-offs zo snel mogelijk te laten groeien.

De uitgangssituatie, vaak bepaald door historische ontwikkeling van een gebied en de aard van de gebiedsontwikkelaar, is bepalend voor de specialisering van de campus. Specialisatie is in eerste instantie een sterke determinant voor het succes van open innovatie. Als bedrijvigheid en andere instellingen beter op elkaar aansluiten zal dit betekenen dat zij de processen van elkaar beter kunnen versterken, tekent hiervoor is het toelatingsbeleid. Veel campussen hebben regelgeving betreffende wie zich op de campus mag vestigen. Op HTCE moeten huurders bijvoorbeeld kunnen aantonen wat zij toevoegen aan het bestaande ecosysteem. Chemelot heeft een vergelijkbare opzet, hier moeten potentiële huurders hun ‘meerwaarde’ voor de andere betrokkenen aangeven waarna deze wordt beoordeeld door de managementorganisatie (Technopolis, 2009). De campus wordt meestal niet in één keer ontwikkeld, het gebeurt voornamelijk gefaseerd. De beperking van toelating is bepalend voor de snelheid van ontwikkeling maar ook voor de samenhang van de campus. Koh et al. (2005) laten bijvoorbeeld zien dat het Cambridge Science Park na twee jaar ‘slechts’ twintig procent van het vrijgemaakte gebied had ontwikkeld omdat maar zeven huurders aansloten bij hun toelatingsbeleid. Een gefaseerde ontwikkeling is van invloed op het bereiken van de ‘kritieke massa’ van de campus. De kritieke massa is het punt waarop de campus zelfversterkend wordt op het gebied van aantrekkingskracht. Een goede bezetting is echter ook belangrijk voor de open innovatie en de draagkracht voor initiatieven en aanbestedingen. Indien dit punt wordt bereikt gaan ontwikkelaars vaak uit van een ‘hands-off’ beleid. Op een volwassen campus worden bedrijven geacht de verantwoordelijkheden steeds meer op zich te nemen en hierdoor kan de overheid haar actieve participatie als gebiedsmanager verlagen. Voor de initiatiefnemer is er dus een constante afweging tussen snelle winst maar een minder sterke, innovatieve samenhang of een langzamere, afgewogen ontwikkeling met hoger financieel risico.

Dat bedrijven moeten meewerken aan de regionale aantrekkelijkheid betekent echter niet dat dit nadelig is voor bedrijven. Dat de campus snel haar kritieke massa haalt is ook in het belang van de gevestigde bedrijven. In kennisintensieve sectoren is het ongepland delen van roddels, ideeën, advies en strategische informatie zeer belangrijk zijn. Deze informele uitwisseling van informatie worden vaak samengevat in het vage begrip ‘local buzz’. Door colocatie van de juiste mensen zou dit fenomeen ontstaan. Het concept laat echter niet zien waarom interactie belangrijk is. Voor ondernemers is interactie namelijk een middel en geen doel op zich. (Heebels, 2012 pp. 51; 89-91). Heebels (2012) stelt in haar onderzoek naar uitgevers in Amsterdam dat ‘local buzz’ niet enkel draait om het uitwisselen van kennis maar ook om vertrouwen en reputatie op te bouwen. De meeste studies naar innovatie kijken alleen naar de eerste functie. Heebels (2012) stelt dat, na naar alle functies te hebben gekeken, voornamelijk vertrouwen opbouwen en selectie van contacten belangrijke functies zijn van persoonlijk contact.

Een self-reinforcing dynamic: Door het veelvoud van samenwerkingsverbanden op een campus is de subjectieve perceptie van de belanghebbenden van de ruimte belangrijk voor het succes van de ruimtelijke ontwikkeling.

Het concept local buzz laat echter wel één ding zien. Dat een locatie waar wordt gesproken en waarover wordt gesproken wordt gezien als een plaats van waarde. Een campus waarop mensen het gevoel hebben dat er iets gebeurd en waar ook media aandacht voor is bouwt de reputatie op van een effectieve campus. En zo valt de uitspraak van Kooij, Assche en Lagendijk dan toch te bekritiseren. Veel retoriek heeft misschien op het eerste oog weinig zakelijke effectiviteit, maar leidt wel tot de opbouw van een imago dat het gebied ten goede komt. Reputatie bestaat uit drie factoren volgens Heebels (2012). Dit zijn resultaten uit het verleden, publieke representatie en de omgang binnen het netwerk. Zonder de resultaten spreken we van het imago. Dit imago blijkt dus zeer bepalend voor de aantrekkingskracht van een campus. Het vereist inspanningen van bedrijfsleven, overheid en kennisinstellingen.

Mijn inziens is de campus een gebied dat profiteert van een inspirerende visie. Door de hoge eisen en idealen als open innovatie wordt vertrouwen gekweekt. Local buzz en bijbehorende media-aandacht bevestigen een imago. Door het harde werk van de lokale kenniswerkers en ondersteuning vanuit het netwerk van overheden, bedrijfsleven en kennisinstellingen wordt het imago van een campus omgezet in een reputatie. En op het moment dat een campus een positieve publieke reputatie heeft opgebouwd kan worden gesproken van een succesvolle gebiedsontwikkeling.

Peter Oosterloo

Stadtwanderung

De stadswandeling; voor velen een fijne manier om hun vrije dag te besteden. Laat het nu net vakantie zijn, goed om dus stil te staan bij dit fenomeen. Het lekkere weer nodigt uit om rond te dwalen door de oude stadscentra van Amsterdam, Utrecht of Venetië. Door te lopen kom je op het straatniveau en voel je betrokkenheid bij het lokale leven. Bovendien biedt wandelen meer keuzevrijheid om mee te doen aan spontane, opmerkelijke gebeurtenissen. Tijdens je vakantie heb je bovendien de tijd om af te dwalen van de route mocht je iets interessants zien (Stevens, 2007). Maar wat bepaalt je route? Hoe loop je eigenlijk? En wat is het effect daarvan?

Door te wandelen heb je de keuzevrijheid om mee te doen met het lokale leven.
Door te wandelen heb je de keuzevrijheid om mee te doen met het lokale leven.

In de literatuur wordt wandelen vaak behandeld in relatie tot winkelen. Niet heel raar want voor veel stadstoeristen is winkelen een van de belangrijkste bezigheden. Door Kemperman (2008) wordt een onderscheidt gemaakt tussen hedonistische winkelaars die de stad in gaan voor hun plezier en op zoek zijn naar een ervaring. Aan de andere kant zijn er pragmatische winkelaars, zij gaan de stad in met een duidelijk doel. In de ontwikkeling van de stad krijgt zeker de eerste categorie steeds meer aandacht. Fokko Kuik, ambtenaar van de gemeente Amsterdam stelt dat het netwerk voor voetgangers in het centrum steeds meer prioriteit krijgt (NRC, 2014). De NRC correspondent zegt dat hij hier goede reden voor heeft. Naast redenen voor het milieu, verkeersveiligheid en de gezondheid is er nog een motivatie: De voetganger is namelijk een wandelende kassa.

Ga het maar na in je eigen gedrag, winkelen met een fiets of auto brengt je vaak naar één winkel waar je een product haalt om vervolgens weer te vertrekken. Iemand die de stad in wandelt, zoekt vaak niet uitgesproken één bepaald product maar maakt liever een rondje langs alle winkels. Zij zijn dus veel langer in de stad en geven meer uit. Door te wandelen krijgen winkelaars bovendien veel meer behoeftes. Als je moe wordt moet je zitten, je moet naar het toilet of krijgt dorst en honger. Verwacht dus binnenkort maar meer bankjes, schaduwplaatsen of toiletten in de openbare ruimte van je woonplaats. Allemaal met het doel om de wandelaar langer in het centrum te houden. Om je een inspirerende ervaring op te wekken worden monumentale panden gerenoveerd en wordt historisch karakter behouden of zelfs gecreëerd (Kärrhol, 2008).

Eerder werd de vraag gesteld: hoe loop je eigenlijk? Wunderlich (2008) maakt een opdeling van drie manieren van lopen: doelbewust, dwalend of speculatief. De eerste manier laat zich gemakkelijk uitleggen als de manier om van ‘A naar B’ te komen. Bij een dwalende wandeling is er geen ‘B’ maar zoekt men de ervaring van de ruimte en tijd. Speculatief lopen is het experimenteren met het lopen zelf. Denk hierbij vooral aan het hinkelen, huppelen van kinderen of het zoeken naar nieuwe technieken om de stad mee te doorkruisen van free runners.

Hoe deel je jouw stadswandeling in?

Veel toeristen gaan bij het kiezen van hun routes uit van een aantal highlights die zij gezien moeten hebben. Highlights kunnen toeristische trekpleisters zijn maar ook grote winkelketens. Vanouds is bijvoorbeeld de Demer in Eindhoven bekend door de connectie tussen de Bijenkorf en V&D. Borgers en Timmermans (2005) noemen dit ook wel ‘node-to-node’ lopen. Waarbij men na elke highlight kiest hoe de route verder wordt vervolgd. Men loopt tot een ‘point of choice’ wordt bereikt. Keuzes die daarna worden gemaakt worden berust op de relatieve aantrekkelijkheid, aantal winkels in een straat, andere voorzieningen, het historische karakter en de toegankelijkheid.

Hierboven op komt dat mensen vaak niet graag twee keer door dezelfde straat lopen. In Dordrecht liepen mensen vaak straten in waar de winkelvoorzieningen opeens stopten, hier moesten zij dan omdraaien om terug te keren naar andere winkels, het station of hun auto. Om deze reden werd het winkelgebied onaantrekkelijk gevonden. Als oplossing bouwde men tunnels in de begane grond van gebouwen aan het einde van winkelstraten zodat men gemakkelijk kon doorsteken naar een andere, nieuwe straat. Het van straat naar straat lopen noemt Kemperman link-to-link lopen.

Van het ontdekken van de stad krijg je honger en dorst.
Van het ontdekken van de stad krijg je honger en dorst.

Vanuit de theorieën kan gereflecteerd worden op de manier van lopen en je keuze voor routes. Maar behalve reflecteren op lopen is recentelijk ook bewezen dat lopen goed is voor je reflectie. Oppezzo en Schwartz (2014) laten zien in hun psychologische experiment dat wandelen prikkelend is voor de creativiteit. Er was het vermoeden dat de buitenlucht misschien van invloed zou zijn. Maar hier is voor gecontroleerd door testpersonen binnen te laten wandelen en buiten mensen rond te rijden in een rolstoel. Mensen die liepen presteerden beter in creativiteitstests, zelfs nog even na het lopen. Dat sommige mensen ijsberen, is dus eigenlijk heel slim.

We zien wandelen door de stad als een ontspannende bezigheid. Bovendien inspireert de omgeving ons en zet het onze grijze massa aan tot denken. Je route wordt bepaald door keuzes tijdens de route of een planning vooraf. Als je vooraf plant bedenk dan wel dat je mag afwijken van je route. Door de toenemende creativiteit is dit zelfs te verwachten. En omdat ‘of the beaten path’ vaak hele interessante gebeurtenissen en plaatsen te vinden zijn kan ik alleen maar meer aanraden om af te dwalen van de bewandelde paden.

Peter Oosterloo

Van Wie is een Lokale Identieit?

Omwille van mijn master Stadsgeografie gingen ik en mijn studiegenoten in maart op excursie naar Berlijn. Berlijn is door haar grote dynamiek een zeer interessante locatie om te bezoeken voor ons stadsgeografen. In dit blog wil ik duidelijk maken dat kijken naar de symbolische en fysieke ontwikkeling van Berlijn ook interessant kan zijn voor iedereen die bezig is met regio’s. De lessen die we van de geschiedenis van Berlijn kunnen leren kunnen we meenemen in het uitvinden van de regionale identiteit.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Bijna vijfentwintig jaar geleden viel de Berlijnse muur. Deze historische gebeurtenis liet de stad letterlijk gesplitst achter. In het oosten het oud-communistische deel en aan de andere kant de kapitalistische zijde. Na een korte periode van euforie kwam de stad terecht in een periode van wanhoop. In 1994 werd duidelijk dat de Olympische Spelen naar Sydney gingen en niet naar Berlijn. Niet alleen miste de stad deze kans maar het werd in deze tijd ook duidelijk dat grote bedrijven niet van plan waren terug te keren naar de hoofdstad; Siemens bleef in München, AEG en de banken bleven in Frankfurt. De verwachting dat Berlijn snel zou terugkeren naar haar oude plaats op het wereldtoneel voor 1930 bleek een illusie. Sceptisch over hun toekomst trokken grote delen van de bevolking weg naar West-Duitsland.

Berlijn in de late jaren negentig was verpauperd en onaantrekkelijk. De gemeente bezat geen geld om dit om te keren. Door megalomane projecten aan de Potzdammerplatz was zij bankrupt en er kwamen geen bedrijven om de nieuwe kantoren te vullen. De overheid kon geen grote verandering meer doen in de leefsituatie van de lokale bevolking door haar oplopende schulden. De inactiviteit van de gemeente maakte echter ruimte voor actieve bewoners. Op braakliggend terrein en in leegstaande fabrieken in Oost-Berlijn vonden kunstenaars en cultureel ondernemers, voornamelijk uit West-Berlijn, goedkope ruimte om hun bezigheden uit te voeren. Op deze manier vonden zij een nieuwe identiteit uit voor gebouwen die gedurende deze periode werden geassocieerd met armoede, faillissement en communisme. De lokale bevolking kwam dit vaak ten goede omdat zij meehielpen bij de organisatie en profiteerden van ondernemingen zoals muziekscholen, bioscopen voor daklozen, boulderbanen en meubelmakers. Het Berlijn dat wij nu kennen bouwt voort op het heruitvinden van armoede. In 2004 werd dit duidelijk officieel omarmd toen de stad koos voor het motto “Berlin: Arm aber sexy”. In de tien jaar die volgden werden obscure locaties steeds hipper. Kapitaalkrachtige jongeren uit binnen- en buitenland trokken naar de stad en op slag veranderden hele wijkgezichten. Wat eerst werd gezien als afstotelijk of alternatief is nu commercieel geaccepteerd. Zo vind je in Berlijn bedrijven die graffiti gebruiken op hun panden als marketingtool en rauwe nachtclubs die worden gesponsord door grote merken zoals Converse. Grote merken identificeren zich graag met de cultuur van Berlijn. Zo kozen Universal Studios en MTV om hun Europese hoofdkantoren in Berlijn te openen. Zij eisen hierbij een nieuw kantoor, deze grootschalige herontwikkeling gaat ten koste van alternatieve ontwikkelingen. Zoals de Berlijnse stadsstranden die zich hadden geworteld op deze aantrekkelijke locaties. Omdat deze informele gebruikers vaak geen huur betalen brengt de grond economische gezien niet genoeg op. Sociale en culturele waarde werd echter vaak niet meegerekend.

Het bovenstaande laat duidelijk zien dat stedelijke identiteit een dynamisch iets is. Er wordt als het ware verder gebouwd aan wat er is. De manier waarop naar de sociale en fysieke ruimte wordt gekeken is leidend in het uitvinden van deze identiteit. En uit Berlijn blijkt dat creativiteit een grote rol kan spelen bij het omvormen van ons beeld van wat aantrekkelijk is.

Is iedereen het dan zo eens met die nieuwe identiteit? Berlijn zou zichzelf niet zijn als reactie ook een tegenreactie kon verwachten. Grote acties zijn gevoerd tegen de ontwikkeling van de kantoorpanden van MTV en Universal Studios aan de Spree. Ook zelf merkte ik het protest op meerdere keren werden we uitgescholden door bewoners. Op sommige plekken was protest ook te zien in de vorm van graffiti (fuck Mediaspree) en spandoeken (Berlin doesn’t love you). Kortom, de oorspronkelijke bewoners zijn niet zo zot op de mensen die als toerist of nieuwe inwoner komen meegenieten. Mensen voelen zich bedreigt omdat hun dagelijks leven, en vooral de armoedige kant daarvan, wordt
gezien als hip en aantrekkelijk. Is het inderdaad niet vreemd dat we foto’s maken van een huis omdat het onder de verf zit, vuilniszakken op de balkons heeft de ruiten zijn ingegooid?

Uiteindelijk komen dit soort kwesties neer op “wie heeft het recht op de stad?”. Door werkeloosheid, kapitaaltekort en een ondernemende bevolking hebben in Berlijn meerdere stemmen kunnen spreken. Met een inspirerende ontwikkeling van sociale innovatie als gevolg. Het is echter nog maar de vraag hoelang echte informaliteit blijft bestaan. Commercialisering maakt uiteindelijk de informele cultuur tot een product en hierdoor verdwijnt haar dynamiek. Onze begeleider liet niet voor niets vallen dat over een jaar of twee Berlijn niet meer de interessantste plek zou zijn om te bezichtigen in Europa.

In conclusie, wat kunnen we leren van Berlijn als we zelf werken aan een identiteit? Ten eerste dat identiteitsvorming niet alleen het resultaat is van een zak geld maar voornamelijk van gezamenlijke inzet. Zoals cultureel ondernemer Matthias Einhoff ons vertelde: “een goede ontwikkeling begint met een idee, het geld volgt wel”. Bovendien is aantrekkelijkheid subjectief. De gehele ruimte hoeft niet schoon gemaakt te worden, creativiteit kan herbestemming mogelijk maken. En informaliteit kan ruimte bieden aan nieuwe experimenten, dat betekent dat af en toe de overheid een ontwikkeling door de vingers kan zien. Dit laat ook zien dat experimenteren met identiteit inherent is aan een duurzame identiteit. Alleen als imago zich blijft ontwikkelen blijft deze bij de tijd. Bij deze ontwikkeling is het belangrijk om als aanjager ook ruimte te bieden aan andersdenkenden maar vooral aan gebruikers. Omdat één groep nu eenmaal niet dynamiek kan garanderen. Iedere burger en elk bedrijf moet het recht kunnen nemen om de ruimte en lokale identiteit te gebruiken en naar kunnen te verbeteren. Berlijn laat zien dat passie leidend is bij het heruitvinden van plaatselijke identiteit. Hiermee verover je een plek binnen de internationale competitie en dan volgen de investeringen wel. En als dat eenmaal zover is, is het juist een uitdaging om spannend en aantrekkelijk te blijven.

Peter Oosterloo