De Mythe van de Campus

Veel regio’s kampen met sociaal-economische uitdagingen zoals terugtrekkende multinationals, deïndustralisering, demografische krimp, tekort aan economische groei of de afwezigheid van een toonaangevende economische cluster. Onder invloed van deze structurele problemen zijn veel steden en regio’s op zoek naar oplossingen. Binnen de Nederlandse bestuurstraditie past het om te zoeken in de planologie naar de oplossing. Mede door het toenemende belang van de kennissector en de vraag om multifunctionele, hoogwaardige werkplekken groeit de populariteit van het campusconcept in Nederland. Ook door het succes van de High Tech Campus Eindhoven en de campus in Enschede is er een toename van nationale belangstelling. In 2009 waren er vijfenvijftig campussen in ontwikkeling in Nederland (Kooij, Assche & Lagendijk, 2014). Echter, wat is de campus nou precies? En wat levert het bedrijven op?

Campus is van origine een Amerikaanse interpretatie van het Latijnse campus ( ‘open veld’ ) om een universiteitsgebied aan te duiden. Campus stond in de Verenigde Staten voor het groene karakter van de universiteitsgronden.

Over het meten wat een locatie op een campus nou concreet oplevert zijn veel meningsverschillen in de wetenschap. Kooij, Assche & Lagendijk bekijken de campus met argwaan. Zij zijn van mening dat de gebieden gebaseerd zijn op veel retoriek maar heel weinig effectiviteit. Zoals Rowan & Meyer (1972) beargumenteerden, vinden de drie auteurs de campus een ‘organisational myth’. Een organisational myth omschrijft hoe organisaties middelen en doelen verwarren. Bijvoorbeeld, een ziekenhuis dat het aantal patiënten meet in plaats van het aantal geheelde zieken om succes te meten. Hetzelfde gebeurt ook op campussen, zo lieten Kocak & Can (2013) een campusmanager zien uit Turkije die actief joint ventures aanjoeg. De lokale bedrijven waardeerden deze joint ventures. Echter kunnen hier ook vraagtekens bij worden geplaatst. De lokale overheid, die financieel de campus ondersteunt, meet het succes van de campus onder andere af aan de hand van het aantal joint ventures.

Onderzoek uit Zweden en Italië laat echter zien dat ‘new technology based firms’ en de regionale economie baat hebben bij een science park op het gebied van omzetgroei, werkgelegenheid, intensiteit van relaties met universiteiten en adoptie van nieuwe technologie (BCI, 2009). Het succes van een campus is voornamelijk te verklaren door het behalen van een aantal voorwaarden. Technopolis (2009) omschrijft deze voorwaarden. Ten eerste noemen zij dat de campus het hoofddoel moet hebben om aan te zetten tot onderlinge samenwerking tussen bedrijven, overheid en kennisinstellingen. Hierbij moet worden aangestuurd op ‘open innovatie’ oftewel een uitwisseling van kennis, mensen en kapitaal tussen de drie partijen. Het BCI (2009) voegt hieraan toe dat het een locatie moet zijn met hoogwaardig vastgoed en een ontwikkelde omgeving. Bovendien moeten er gemeenschappelijke faciliteiten zijn en een manifeste kennisdrager, bijvoorbeeld een universiteit of een groot bedrijf.

Belangrijk voor de duurzaamheid van de campus is de mogelijkheid voor startende ondernemingen om zich ook op de campus te vestigen. Voor MKB-ers is de campus van groot belang voor het succes van de onderneming. Ten eerste door de toegang tot kennis maar des te meer door een schaalvoordeel. Zo biedt een campus gedeelde faciliteiten die het risico voor ondernemers spreiden op de aanschaf van nieuwe apparatuur. Een voorbeeld wat vaak wordt aangehaald in de toegang tot ‘clean rooms’. Het aanbieden van werk- en onderzoeksruimte aan starters en spin-offs helpt innovatieve bedrijven door hun onzekere periodes.

Terug te lezen is dus dat een campus voornamelijk draait om kennisdynamiek. Het bouwt door op het belang van innovatienetwerken (Lundvall, 2005; Morgan, 2007). Deze netwerken worden als het ware teruggebracht naar een lokaal schaalniveau om zo het gehele ecosysteem van innovatie op elkaar af te stemmen. De campus onderscheidt zich voornamelijk van een bedrijvencluster door de hoge mate van organisatie en het schaalniveau van de ‘untraded interdependencies’ (Storper, 1995). De ‘untraded interdependencies’ zijn uitwisselingen van kenniswerkers, delen van (dure) faciliteiten en het imago van de campus. Door colocatie hebben betrokkenen baat bij de gebundelde aantrekkingskracht van de campus. Bovendien is een campus door actief beleid op het gebied van goedkoop vastgoed op hoogwaardige locaties en het bieden van groeimogelijkheden in kantoorruimtes ook onderscheidend.

Een van de doelstellingen van een campus is het najagen van ‘open innovatie’. Deze term werd voor het eerst gebruikt door Chesbrough (2003), hij omschrijft dat hierbij binnen netwerken kennis, training, financiering, diensten en dergelijke worden uitgewisseld om een collectief voordeel te behalen. Door de ontwikkeling van ICT is de toegang tot kennis veel makkelijker geworden, bovendien is ook de geheimhouding van R&D activiteiten een grotere uitdaging geworden. Indien dit wordt gecombineerd met vestiging nabij elkaar spreekt men van een ‘open campus’. Op een open campus kunnen betrokken bedrijven en instellingen resources en faciliteiten delen. Vaak is het doel hiervan dat het kostenvoordelen en risicodekking oplevert. Het AWT (2006) stelt dat deze praktijken kunnen leiden tot het ontstaan van ontmoetingsplaatsen voor kenniswerkers, deze bieden de ruimte aan bloeiende interactie en intensieve communicatie met als beoogde doel een vrije uitwisseling van kennis. Een campus biedt innovatieve bedrijven niet alleen verbondenheid maar ook afscherming tegen commerciële druk (Technopolis, 2009).

Zoals al was gesteld wordt ‘open innovatie’ bevorderd door een overkoepelende organisatie. Zij voeren actief beleid om de collectieve voordelen van de campus te benutten. Dit doen zij onder andere door verschillende diensten aan te bieden zoals: management ondersteuning, seed funding assistentie, advies over patentenrechten, interne netwerkactiviteiten en trainingen. Buiten de campus trachten zij passende bedrijven en subsidies of andere investeringen aan te trekken. Belangrijk op een campus is ook het aanbieden van ‘third places’. Dit kunnen ruimtes zijn met een functionele betekenis zoals de eerder beschreven clean rooms. Maar ook ruimtes met ondersteunende functie zoals: vergaderruimtes, eetgelegenheden, auditoria en catering. Of zelfs ruimtes met ontspanning als doel zoals urban farms, sportvoorzieningen of wandelpaden. Vaak hebben campussen een expliciet beleid om het gebruik van deze gelegenheden te vergroten, zoals verplichten om buiten de deur te lunchen (Technopolis, 2009).

Bedrijven hebben netwerken op alle schaalniveaus. Een uitgebreid en hecht netwerk biedt bedrijven kostenvoordelen op basis van opgebouwd vertrouwen. Bedrijven spreiden hun contacten graag om zo lokale risico’s in te dekken. Zij trachten dus om niet enkel afhankelijk te zijn van regionale relaties. In het onderzoek van Kocak & Can (2013) naar bedrijven op Turkse campussen laten zij zien dat bedrijven vaak meer contacten hebben buiten de campus dan op de campus. Echter de overheid heeft baat bij een ontwikkeld regionaal netwerk. Vaak wordt deze gezien als een concurrentievoordeel in de regiomarketing. De concurrentiepositie van een regio wordt namelijk bepaald door de waarde die bedrijven hechten aan een plaats. De toegang tot kennis en kwaliteit van het netwerk spelen hierin een rol. Regionale binding heeft dus een wederkerigheid die in het voordeel kan werken van beide partijen (Atzema et. al., 2006 pp.157-158; 165-166).

Campusontwikkeling wordt vaak gestart vanuit de overheid. Echter, stelt Etzkowitz (2008) heeft een campus een solide basis nodig. Zoals al werd gesteld heeft een campus een manifeste kennisdrager nodig. Er zijn twee verschillende uitgangssituaties van een campus. Meestal is de uitgangssituatie een onderwijsinstelling. De bedoeling van de campus is dan het valoriseren van de kennis die wordt opgedaan in dit publieke domein. Het Science Park in Twente is hier een voorbeeld van. Een campus kan ook berust worden op de R&D spillovers van een bedrijf. De High Tech Campus van Eindhoven is hier een voorbeeld van. Etzkowitz argumenteert dat een campus een resultaat is van het succes van de ondernemerskracht van de kenniswerkers en de ondersteuning vanuit een samenwerking van overheid, bedrijfsleven en onderwijs om hun spin-offs zo snel mogelijk te laten groeien.

De uitgangssituatie, vaak bepaald door historische ontwikkeling van een gebied en de aard van de gebiedsontwikkelaar, is bepalend voor de specialisering van de campus. Specialisatie is in eerste instantie een sterke determinant voor het succes van open innovatie. Als bedrijvigheid en andere instellingen beter op elkaar aansluiten zal dit betekenen dat zij de processen van elkaar beter kunnen versterken, tekent hiervoor is het toelatingsbeleid. Veel campussen hebben regelgeving betreffende wie zich op de campus mag vestigen. Op HTCE moeten huurders bijvoorbeeld kunnen aantonen wat zij toevoegen aan het bestaande ecosysteem. Chemelot heeft een vergelijkbare opzet, hier moeten potentiële huurders hun ‘meerwaarde’ voor de andere betrokkenen aangeven waarna deze wordt beoordeeld door de managementorganisatie (Technopolis, 2009). De campus wordt meestal niet in één keer ontwikkeld, het gebeurt voornamelijk gefaseerd. De beperking van toelating is bepalend voor de snelheid van ontwikkeling maar ook voor de samenhang van de campus. Koh et al. (2005) laten bijvoorbeeld zien dat het Cambridge Science Park na twee jaar ‘slechts’ twintig procent van het vrijgemaakte gebied had ontwikkeld omdat maar zeven huurders aansloten bij hun toelatingsbeleid. Een gefaseerde ontwikkeling is van invloed op het bereiken van de ‘kritieke massa’ van de campus. De kritieke massa is het punt waarop de campus zelfversterkend wordt op het gebied van aantrekkingskracht. Een goede bezetting is echter ook belangrijk voor de open innovatie en de draagkracht voor initiatieven en aanbestedingen. Indien dit punt wordt bereikt gaan ontwikkelaars vaak uit van een ‘hands-off’ beleid. Op een volwassen campus worden bedrijven geacht de verantwoordelijkheden steeds meer op zich te nemen en hierdoor kan de overheid haar actieve participatie als gebiedsmanager verlagen. Voor de initiatiefnemer is er dus een constante afweging tussen snelle winst maar een minder sterke, innovatieve samenhang of een langzamere, afgewogen ontwikkeling met hoger financieel risico.

Dat bedrijven moeten meewerken aan de regionale aantrekkelijkheid betekent echter niet dat dit nadelig is voor bedrijven. Dat de campus snel haar kritieke massa haalt is ook in het belang van de gevestigde bedrijven. In kennisintensieve sectoren is het ongepland delen van roddels, ideeën, advies en strategische informatie zeer belangrijk zijn. Deze informele uitwisseling van informatie worden vaak samengevat in het vage begrip ‘local buzz’. Door colocatie van de juiste mensen zou dit fenomeen ontstaan. Het concept laat echter niet zien waarom interactie belangrijk is. Voor ondernemers is interactie namelijk een middel en geen doel op zich. (Heebels, 2012 pp. 51; 89-91). Heebels (2012) stelt in haar onderzoek naar uitgevers in Amsterdam dat ‘local buzz’ niet enkel draait om het uitwisselen van kennis maar ook om vertrouwen en reputatie op te bouwen. De meeste studies naar innovatie kijken alleen naar de eerste functie. Heebels (2012) stelt dat, na naar alle functies te hebben gekeken, voornamelijk vertrouwen opbouwen en selectie van contacten belangrijke functies zijn van persoonlijk contact.

Een self-reinforcing dynamic: Door het veelvoud van samenwerkingsverbanden op een campus is de subjectieve perceptie van de belanghebbenden van de ruimte belangrijk voor het succes van de ruimtelijke ontwikkeling.

Het concept local buzz laat echter wel één ding zien. Dat een locatie waar wordt gesproken en waarover wordt gesproken wordt gezien als een plaats van waarde. Een campus waarop mensen het gevoel hebben dat er iets gebeurd en waar ook media aandacht voor is bouwt de reputatie op van een effectieve campus. En zo valt de uitspraak van Kooij, Assche en Lagendijk dan toch te bekritiseren. Veel retoriek heeft misschien op het eerste oog weinig zakelijke effectiviteit, maar leidt wel tot de opbouw van een imago dat het gebied ten goede komt. Reputatie bestaat uit drie factoren volgens Heebels (2012). Dit zijn resultaten uit het verleden, publieke representatie en de omgang binnen het netwerk. Zonder de resultaten spreken we van het imago. Dit imago blijkt dus zeer bepalend voor de aantrekkingskracht van een campus. Het vereist inspanningen van bedrijfsleven, overheid en kennisinstellingen.

Mijn inziens is de campus een gebied dat profiteert van een inspirerende visie. Door de hoge eisen en idealen als open innovatie wordt vertrouwen gekweekt. Local buzz en bijbehorende media-aandacht bevestigen een imago. Door het harde werk van de lokale kenniswerkers en ondersteuning vanuit het netwerk van overheden, bedrijfsleven en kennisinstellingen wordt het imago van een campus omgezet in een reputatie. En op het moment dat een campus een positieve publieke reputatie heeft opgebouwd kan worden gesproken van een succesvolle gebiedsontwikkeling.

Peter Oosterloo

Istanbul and The Socially Sustainable City

Many cities have invested to become more desirable places to visit, live in, and invest in. Civic boosterism is one the main tools in the shed of municipalities trying to compete over global capital. Around the world physical redevelopment, event hosting, and city marketing are embraced to achieve the economical and social goals of the city. It is all based on the theory that once capital is accumulated it will benefit all residents of a city (Harvey, 1989). But some researchers figure reality appears to be different. Urban entrepreneurialism seems to lead to marginalisation of the city’s residents. It only focuses on the consumption role of the city and less on the residential function. This path of policy leads in different extents to disparity and also friction (Eisinger, 2000).

In this paper it will be explored what it takes to make a city more socially sustainable, providing both for wealth distribution in favour of its citizens as well as a strong economical position. Is it possible to surpass the friction that comes with opening up to the visitor class? Or more holistic: what does it take to make physical redevelopment in cities more socially and economically sustainable?

Sustainability is about a balance between environment, people and economics. In this research the environmental factor is left out because the role of environmentalism in planning is very different from the social aspect. Though, in practice the three pillars can not be seen as exclusive.

The goal of this research is to find a socially more agreeable alternative to the negative effects of top-down large scale gentrification. Hopefully this paper can aid policy makers in achieving to create and sustain a socially balanced city.
Over the course of this research the following subjects shall be discussed: The shift from managerialism to entrepreneurialism, socio-economic disparity as a result of flagship regeneration, the misconceptions of holistic sustainable development, challenges in collaborative planning, and answers to these challenges.

The aforementioned social friction, as a result of large scale top-down planning, has appeared all around the globe, but recently has become very evident and tenacious in Istanbul, Turkey. Planned redevelopment of the Taksim Square has led to an outburst of resentment against the top-down policies of the Turkish national government led by premier Erdogan (The Economist, 2013) (picture 1). Throughout this research the occurrences in Istanbul shall be used as an image.

Winners and losers

In 1989 Harvey wrote on the shift from managerialism to entrepreneurialism – also known as civic boosterism. He argues that due to global neoliberalisation cities have to compete over international capital. The implication of this is a new attitude in governing cities. Governments no longer put focus on wealth distribution but now shift towards wealth accumulation. The underlying argument for this is that the accumulated wealth will then spread out and benefit the whole population of a municipality. This spill-over effect is put forward by Dair and Williams (2004) as follows:

“Many see economical growth as necessary to sustainability as it provides the financial resources for technical advancement required to solve environmental problems [and social disparities]”

The implications of this, according to Harvey, are more:

1. public-private partnerships,
2. public risk bearing, and
3. a focus on place instead of territory.

In other words, governments undertake projects with public assets to make a profit. These projects are undertaken with businesses but to make these partnerships attractive the risks are carried by the public. While for the public public-private partnership should cut costs. The direct focus of the projects are on specific places and not to the benefit of the whole region. But again, it is claimed that a water-bed effect is to follow the accomplishments (Harvey, 1989). Harvey describes the following common strategies to achieve the described goals:

1. exploitation of regional advantages,
2. improving spatial division of consumption,
3. struggle over key control points, and
4. redistribution through government functions.

The first strategy means that a region focuses on the resources that are special to that place. Harvey uses the oil boom in 1970s Texas as an example. Second is improving the spatial division of consumption. According to Harvey this implies that the city concentrates on an ever broadening basis for mass consumption. Third is the struggle of key control points, which entails that a city tries to attract finance and ancillary businesses. Last is the strategy to relocate government functions to peripheral regions (Harvey, 1989).

According to Doucet (2009) the second pillar of Harvey’s strategies raised a lot of interest during the 80s and 90s. Many cities argued that they should reposition themselves in the global market by (re)developing commercial space. This led to a boom in iconic spaces that are often named flagship projects.These flagships were meant as catalysts for a wider influx of wealth (as described earlier by Harvey). Throughout Europe and the USA this led to a rush in building convention centres, themed tourist malls and aquariums. Doucet argues that still this policy is strongly embedded in governmental policy. Luxury apartments, warehouse conversions, museums and iconic architecture are built to create wealth, attract affluent residents, produce tourist destinations, and, overall, pursue profit (Doucet, 2009).

In Turkey similar neoliberal policies can be seen, so-called mega projects have been started by the increasingly authoritarian national government to instigate international competition. Along with political stability these investments have brought Turkey and mainly Istanbul a huge growth in wealth. Overall the Turkish economy has grown about nine percent annually and as a result the average per capita income has trebled over the last decade (The Economist, 2013).

Over time flagship projects have been scrutinised heavily for not achieving all their goals. Eisinger (2000) argues that the main problem is that these projects are not for residents but for the so called visitor class. His argument is mainly based on stadiums, convention centres and festival malls (places of consumption). He states these flagship projects cost great amounts of public resources which is invested with a huge risk factor. This process draws away liquidity from real public tasks – housing, security, education and health. He also questions whether flagship regeneration would lead to more socio-economic opportunities for local residents. Eisinger argues that this argument is untrue as the building sector only benefits for a short term and after this the provided employment opportunities consist of low paid service jobs without a chance of socio-economic advancement – cleaners, food service, commercial sales (Doucet, 2009). Most of the revenue is not acquired by the public but by private businesses and so Eisinger (2000) raises the question whether the flagship projects he researched are actually public affairs to begin with.

Doucet (2009) discusses the case of Baltimore and sees more negative effects of flagship projects beside those for the public’s finances. He puts forward that flagship regeneration creates islands of wealth, meaning that the regenerated space is a wealthy centre with adjacent low income neighbourhoods. As the city tries to stay competitive the constant investment in the centre creates even stronger polarisation and puts a heavier constraint on local finances. For the excluded residents successful flagship regeneration might also mean displacement. Doucet argues that if a successful flagship project attracts high wealth residents this starts gentrification in adjacent neighbourhoods. The local population subsequently gets pushed out by the rising land value. (Doucet, 2009). This process shows overlap with Harvey’s focus on places instead of regions and evidently could result in social friction.

For over three decades the Turkish government has been redeveloping neighbourhoods to change the economic, and as a result social, structure of Istanbul. On a neighbourhood scale gentrification is induced. According to Kuyucu and Ünsal (2010) these mega projects lead to displacement of the locals and disproportionate divisions of profits. The displaced people are not cared for thereafter. There is no projects concerned with building social housing for the displaced. Premier Endogan wants to reinvent the image of the city before the 100 year celebration of the Turkish Republic. The latest projects include up-scale apartments, shopping malls, a third airport, and a third bridge over the Bosporus. Sceptics fear for a water shortage because green zones are substituted by new neighbourhoods to accommodate population growth. (NRC, 2012). As a result of undemocratic restricting strategies the public goes protesting. The public is done with being overruled and displaced and take their anger to the streets before development takes place. In the neighbourhood of Basibuyuk this process has created protests which have been struck down by state police in 2008. And in 2013 the plans to redevelop the Taksim Square have caused rioting. The plans involve a mosque on the place of a park and a shopping centre (picture 2). City planner Atlar comments that the city must become modern and pious, like Dubai. This happens to discontent of a large minority who regard Taksim square as the place for free speech, protest and secularism. So the conflict is also a conflict of ideologies and (sub-)cultures (NRC, 2012). The resulting national protests work very counter-productive to the economical position of Turkey and in consequence to the envisioned competitive attractiveness of Turkey for global capital. For example, in the election race for the 2020 Olympics that will be held on the 7th of September Istanbul lost its position as charts leader to Tokyo (NRC, 2013). In effect, the top-down policies actually harm competitiveness because of subsequent social friction.

A new hope
Doucet (2009) has proposed an alternative to the top-down redevelopment methods that are described above. One major shift in contemporary urban regeneration is the use of local community input and participation. A focus back to the (deprived) community means a real change in urban governance (Doucet, 2009).

Miles and Paddison (2005) agree that a shift is needed. They plead against culture-led urban regeneration (this policy is in line with the earlier described civic boosterism where  the consumption of culture is used as a source of prosperity). The discourse builds upon Richard Florida’s creative class theory (2002): cultural input can realise socio-economic output, because creative industries empower locals and attract post-modern urban economies. The problem with flagship regeneration according to Miles and Paddison was actually that it is just too holistic. They claim that it puts a lot of strain on culture to use it as a top-down intervention method. According to Miles and Paddison culture cannot be expected to achieve goals but should be allowed to be flexible and situational. In their writing they acclaim the recent shift in the UK: away from landmark projects conducted by corporations that are only accountable to economical shareholders and the government, towards locally oriented redevelopment to achieve more sustainable communities. (Miles & Paddison, 2005).

In the 1990s, with New Labour in the seat of power, the redevelopment agenda changed in the UK. The government spoke of an urban renaissance, as a reaction to two decades of neoliberal policy. The renaissance stands for the rebirth of the marginalised city areas. Raco (2007) defines the New Labour policy by the hand of four points:

1. high quality of design,
2. environmental responsibility,
3. social well-being, and
4. effective and accountable local governance.

The goals of this new policy were actually quite similar to the neoliberal policies: to create physically and socially attractive spaces. Though the focus moved towards the deprived neighbourhoods, the interventions were still state led. Over the 2000s this policy was further enhanced. New Labour made a change towards a new vision based on engaged citizens’ communities instead of dependency – communitarianism. The goal of the policy is creating sustainable communities. This discourse revolved around a relational citizenship. This means that citizenship is more than coming from a place; it is about the the actual role that an individual has in the community and the meaning of the community for the individual. In urban planning this implicates that communities are engaged in developing the built environment through co-production with involved actors (Raco, 2007). It might seem that community involvement takes away most of the problems that came with the top-down method of the late 20th century. But there are some initial misconceptions that should be resolved to make the sustainable communities actually sustainable.

The ambiguity of sustainability

In their 2007 writing Evans and Jones start their scrutiny on community involved planning by bringing forth the ambiguity of sustainability. They argue that downscaling the involved government and collaborative planning are not enough to guarantee sustainable development. Sustainability is about people, planet, and profit. In other words, it is about social, economical, and environmental balance. Evans and Jones argue that collaborative planning does not achieve these goals by definition. They critique community involved planning on three points:

1. compromises in negotiations enables the economic agenda,
2. growth overrules sustainability, and
3. partial interpretation of sustainability enables tensions and delays policy.

With the first point Evans and Jones claim that on every level of government there is an ambivalent attitude to constantly reinterpret projects’ aim towards an economic discourse. Because the definition of sustainability is very idealistic it can be interpreted to enable the economic agenda. In line with this argument is the second point of Evans and Jones’ plea. In situations where multiple solutions are competing there is a strong bias towards those that produce visible economic growth instead of those that provide sustainable value. The third argument is against the way that community planning can be delayed by non-relevant and old tensions being revived. All the above situations are in favour of more powerful actors. Evans and Jones point out that in these situations economical actors can actually hijack the planning process to get their favoured solutions executed. If so, they argue, local empowerment gives power to the wrong stakeholders and therefore undermines the new system actually creating mistrust (Evans & Jones, 2007). And this implies that the policy still leads to an unsustainable social environment.

Evans and Jones remain quite vague on the process of hijacking. Luckily, Atkinson (1998) is more thorough on this topic. He uses three arguments to show how the organisation of community involved planning can actually empower the most powerful economic actors instead of the marginalised residents of in a neighbourhood. His critique is based on the Involving Communities in Urban and Rural Regeneration: A Guide for Practitioners, a guide for governments by the UK’s Department of Environment (1995). His three main points are:

1. organising structures are subject to power relationships,
2. external competition recreates hierarchical roles, and
3. community representatives lack the resources to compete equally.

In his first point Atkinson argues that more powerful actors are usually involved much earlier in the planning process. This implicates that these actors can choose when to address the public. In other words, the community only gets involved where the powerful actors think this is necessary. This could be at the implementation stage of the project, thus rendering any critique too late because everything is already set in to motion. In this argument also fits the notion that there almost never is a single community. A neighbourhood is composed of multiple communities with different interests. And so there could be a selection of stakeholders by government and financial actors (again an indicator of power). The second point implies that powerful actors can make the community believe that because of external competition some measures are just necessary, putting social challenges in the back-seat. Atkinson’s third point is that community representatives lack the resources to bring their own interests to the table. Even if the community has equal representation, these actors lack the resources (knowledge, financial power) to really get their opinions heard. Atkinson says that some governments try to overcome this lack of power by training the involved representatives. But Atkinson questions the meaning and implications of these trainings. He thinks that some of these trainings are only meant to get the community on board of the economic discourse. By, what he calls, the mode of rationality, a discourse that shows that all problems are to be challenged by economic growth. Of course, on the other hand, training could also serve to develop confidence, skills and knowledge to empower the representatives (Atkinson, 1998).

Evans and Jones (2007) propose a solution to the above discussed problems. They argue that the holistic, idealistic approach of sustainable development should be abandoned. According to them it is all about recognising that sustainability is an ambiguous term that leads to discussion. And therefore sustainability is an unclear goal and should be approached pragmatically. Stakeholders should be very clear about their frame of reference and what they argue to be desirable. These context specific notions should be discussed through high engagement from all parties in a dialogic model. Evans and Jones mean that intensive exchange should lead to sustainable, innovative and creative places that are highly desirable (Evans & Jones, 2007).

It is of course premature to claim that well executed community involvement could prevent the social unrest that occurred in Turkey. But actually one of the main critiques on the development plans of the Taksim Square is that the public was not involved at all (NRC, 2013). Many reporters conclude that the Turkish democracy is still maturing. One of the arguments that they bring forth is that the main protesters shunned away from violence (picture 3). Also, the secular minded protesters have cast off their dependency of the army which, historically, preformed a coup d’etat in such occasions. Thirdly, Erdogan has apologised for the violent behaviour of the police. And recently the government has partially given in to the protesters to change the plans of the restructuring. Instead of a mall there shall be a modern arts museum (The Economist, 2013, 3). Istanbul wants to be a competitive city and so equitable community involved planning as described above can be a resort to avoid future unrest. It remains the question whether the national government can be self-critical to trust their development plans to more locally oriented authorities and residents. One of the protesters, Meryam Goksu, reacts:

“[It is not that we do not want the new shopping mall or the new bridge over the Bosporus]… But ask us for once what we think of it … Listen to the opposition.” (NRC, 2013)

Conclusion
In conclusion, what can be done by governments to make their physical redevelopment projects more socially and economically sustainable? This research has shown that over time a more democratic alternative is being developed to introduce local residents in to the planning procedure. But involving the community is not a guarantee for sustainability. Because of the ambiguity that idealistic plans have this may lead to empowerment of the wrong actors; once again putting emphasis on economic discourse instead of also including the social challenges of a neighbourhood. Governments should give attention to equal empowerment. This can be done by training the community representatives and also by having an extensive dialogue with all parties on an equitable level. The benefit of extensive exchanges is that it can also lead to more innovative and creative solutions for problems. And being innovative and creative are two ideals for many cities that want to attract attention in the global arena.

Peter Oosterloo (2013)