De Mythe van de Campus

Veel regio’s kampen met sociaal-economische uitdagingen zoals terugtrekkende multinationals, deïndustralisering, demografische krimp, tekort aan economische groei of de afwezigheid van een toonaangevende economische cluster. Onder invloed van deze structurele problemen zijn veel steden en regio’s op zoek naar oplossingen. Binnen de Nederlandse bestuurstraditie past het om te zoeken in de planologie naar de oplossing. Mede door het toenemende belang van de kennissector en de vraag om multifunctionele, hoogwaardige werkplekken groeit de populariteit van het campusconcept in Nederland. Ook door het succes van de High Tech Campus Eindhoven en de campus in Enschede is er een toename van nationale belangstelling. In 2009 waren er vijfenvijftig campussen in ontwikkeling in Nederland (Kooij, Assche & Lagendijk, 2014). Echter, wat is de campus nou precies? En wat levert het bedrijven op?

Campus is van origine een Amerikaanse interpretatie van het Latijnse campus ( ‘open veld’ ) om een universiteitsgebied aan te duiden. Campus stond in de Verenigde Staten voor het groene karakter van de universiteitsgronden.

Over het meten wat een locatie op een campus nou concreet oplevert zijn veel meningsverschillen in de wetenschap. Kooij, Assche & Lagendijk bekijken de campus met argwaan. Zij zijn van mening dat de gebieden gebaseerd zijn op veel retoriek maar heel weinig effectiviteit. Zoals Rowan & Meyer (1972) beargumenteerden, vinden de drie auteurs de campus een ‘organisational myth’. Een organisational myth omschrijft hoe organisaties middelen en doelen verwarren. Bijvoorbeeld, een ziekenhuis dat het aantal patiënten meet in plaats van het aantal geheelde zieken om succes te meten. Hetzelfde gebeurt ook op campussen, zo lieten Kocak & Can (2013) een campusmanager zien uit Turkije die actief joint ventures aanjoeg. De lokale bedrijven waardeerden deze joint ventures. Echter kunnen hier ook vraagtekens bij worden geplaatst. De lokale overheid, die financieel de campus ondersteunt, meet het succes van de campus onder andere af aan de hand van het aantal joint ventures.

Onderzoek uit Zweden en Italië laat echter zien dat ‘new technology based firms’ en de regionale economie baat hebben bij een science park op het gebied van omzetgroei, werkgelegenheid, intensiteit van relaties met universiteiten en adoptie van nieuwe technologie (BCI, 2009). Het succes van een campus is voornamelijk te verklaren door het behalen van een aantal voorwaarden. Technopolis (2009) omschrijft deze voorwaarden. Ten eerste noemen zij dat de campus het hoofddoel moet hebben om aan te zetten tot onderlinge samenwerking tussen bedrijven, overheid en kennisinstellingen. Hierbij moet worden aangestuurd op ‘open innovatie’ oftewel een uitwisseling van kennis, mensen en kapitaal tussen de drie partijen. Het BCI (2009) voegt hieraan toe dat het een locatie moet zijn met hoogwaardig vastgoed en een ontwikkelde omgeving. Bovendien moeten er gemeenschappelijke faciliteiten zijn en een manifeste kennisdrager, bijvoorbeeld een universiteit of een groot bedrijf.

Belangrijk voor de duurzaamheid van de campus is de mogelijkheid voor startende ondernemingen om zich ook op de campus te vestigen. Voor MKB-ers is de campus van groot belang voor het succes van de onderneming. Ten eerste door de toegang tot kennis maar des te meer door een schaalvoordeel. Zo biedt een campus gedeelde faciliteiten die het risico voor ondernemers spreiden op de aanschaf van nieuwe apparatuur. Een voorbeeld wat vaak wordt aangehaald in de toegang tot ‘clean rooms’. Het aanbieden van werk- en onderzoeksruimte aan starters en spin-offs helpt innovatieve bedrijven door hun onzekere periodes.

Terug te lezen is dus dat een campus voornamelijk draait om kennisdynamiek. Het bouwt door op het belang van innovatienetwerken (Lundvall, 2005; Morgan, 2007). Deze netwerken worden als het ware teruggebracht naar een lokaal schaalniveau om zo het gehele ecosysteem van innovatie op elkaar af te stemmen. De campus onderscheidt zich voornamelijk van een bedrijvencluster door de hoge mate van organisatie en het schaalniveau van de ‘untraded interdependencies’ (Storper, 1995). De ‘untraded interdependencies’ zijn uitwisselingen van kenniswerkers, delen van (dure) faciliteiten en het imago van de campus. Door colocatie hebben betrokkenen baat bij de gebundelde aantrekkingskracht van de campus. Bovendien is een campus door actief beleid op het gebied van goedkoop vastgoed op hoogwaardige locaties en het bieden van groeimogelijkheden in kantoorruimtes ook onderscheidend.

Een van de doelstellingen van een campus is het najagen van ‘open innovatie’. Deze term werd voor het eerst gebruikt door Chesbrough (2003), hij omschrijft dat hierbij binnen netwerken kennis, training, financiering, diensten en dergelijke worden uitgewisseld om een collectief voordeel te behalen. Door de ontwikkeling van ICT is de toegang tot kennis veel makkelijker geworden, bovendien is ook de geheimhouding van R&D activiteiten een grotere uitdaging geworden. Indien dit wordt gecombineerd met vestiging nabij elkaar spreekt men van een ‘open campus’. Op een open campus kunnen betrokken bedrijven en instellingen resources en faciliteiten delen. Vaak is het doel hiervan dat het kostenvoordelen en risicodekking oplevert. Het AWT (2006) stelt dat deze praktijken kunnen leiden tot het ontstaan van ontmoetingsplaatsen voor kenniswerkers, deze bieden de ruimte aan bloeiende interactie en intensieve communicatie met als beoogde doel een vrije uitwisseling van kennis. Een campus biedt innovatieve bedrijven niet alleen verbondenheid maar ook afscherming tegen commerciële druk (Technopolis, 2009).

Zoals al was gesteld wordt ‘open innovatie’ bevorderd door een overkoepelende organisatie. Zij voeren actief beleid om de collectieve voordelen van de campus te benutten. Dit doen zij onder andere door verschillende diensten aan te bieden zoals: management ondersteuning, seed funding assistentie, advies over patentenrechten, interne netwerkactiviteiten en trainingen. Buiten de campus trachten zij passende bedrijven en subsidies of andere investeringen aan te trekken. Belangrijk op een campus is ook het aanbieden van ‘third places’. Dit kunnen ruimtes zijn met een functionele betekenis zoals de eerder beschreven clean rooms. Maar ook ruimtes met ondersteunende functie zoals: vergaderruimtes, eetgelegenheden, auditoria en catering. Of zelfs ruimtes met ontspanning als doel zoals urban farms, sportvoorzieningen of wandelpaden. Vaak hebben campussen een expliciet beleid om het gebruik van deze gelegenheden te vergroten, zoals verplichten om buiten de deur te lunchen (Technopolis, 2009).

Bedrijven hebben netwerken op alle schaalniveaus. Een uitgebreid en hecht netwerk biedt bedrijven kostenvoordelen op basis van opgebouwd vertrouwen. Bedrijven spreiden hun contacten graag om zo lokale risico’s in te dekken. Zij trachten dus om niet enkel afhankelijk te zijn van regionale relaties. In het onderzoek van Kocak & Can (2013) naar bedrijven op Turkse campussen laten zij zien dat bedrijven vaak meer contacten hebben buiten de campus dan op de campus. Echter de overheid heeft baat bij een ontwikkeld regionaal netwerk. Vaak wordt deze gezien als een concurrentievoordeel in de regiomarketing. De concurrentiepositie van een regio wordt namelijk bepaald door de waarde die bedrijven hechten aan een plaats. De toegang tot kennis en kwaliteit van het netwerk spelen hierin een rol. Regionale binding heeft dus een wederkerigheid die in het voordeel kan werken van beide partijen (Atzema et. al., 2006 pp.157-158; 165-166).

Campusontwikkeling wordt vaak gestart vanuit de overheid. Echter, stelt Etzkowitz (2008) heeft een campus een solide basis nodig. Zoals al werd gesteld heeft een campus een manifeste kennisdrager nodig. Er zijn twee verschillende uitgangssituaties van een campus. Meestal is de uitgangssituatie een onderwijsinstelling. De bedoeling van de campus is dan het valoriseren van de kennis die wordt opgedaan in dit publieke domein. Het Science Park in Twente is hier een voorbeeld van. Een campus kan ook berust worden op de R&D spillovers van een bedrijf. De High Tech Campus van Eindhoven is hier een voorbeeld van. Etzkowitz argumenteert dat een campus een resultaat is van het succes van de ondernemerskracht van de kenniswerkers en de ondersteuning vanuit een samenwerking van overheid, bedrijfsleven en onderwijs om hun spin-offs zo snel mogelijk te laten groeien.

De uitgangssituatie, vaak bepaald door historische ontwikkeling van een gebied en de aard van de gebiedsontwikkelaar, is bepalend voor de specialisering van de campus. Specialisatie is in eerste instantie een sterke determinant voor het succes van open innovatie. Als bedrijvigheid en andere instellingen beter op elkaar aansluiten zal dit betekenen dat zij de processen van elkaar beter kunnen versterken, tekent hiervoor is het toelatingsbeleid. Veel campussen hebben regelgeving betreffende wie zich op de campus mag vestigen. Op HTCE moeten huurders bijvoorbeeld kunnen aantonen wat zij toevoegen aan het bestaande ecosysteem. Chemelot heeft een vergelijkbare opzet, hier moeten potentiële huurders hun ‘meerwaarde’ voor de andere betrokkenen aangeven waarna deze wordt beoordeeld door de managementorganisatie (Technopolis, 2009). De campus wordt meestal niet in één keer ontwikkeld, het gebeurt voornamelijk gefaseerd. De beperking van toelating is bepalend voor de snelheid van ontwikkeling maar ook voor de samenhang van de campus. Koh et al. (2005) laten bijvoorbeeld zien dat het Cambridge Science Park na twee jaar ‘slechts’ twintig procent van het vrijgemaakte gebied had ontwikkeld omdat maar zeven huurders aansloten bij hun toelatingsbeleid. Een gefaseerde ontwikkeling is van invloed op het bereiken van de ‘kritieke massa’ van de campus. De kritieke massa is het punt waarop de campus zelfversterkend wordt op het gebied van aantrekkingskracht. Een goede bezetting is echter ook belangrijk voor de open innovatie en de draagkracht voor initiatieven en aanbestedingen. Indien dit punt wordt bereikt gaan ontwikkelaars vaak uit van een ‘hands-off’ beleid. Op een volwassen campus worden bedrijven geacht de verantwoordelijkheden steeds meer op zich te nemen en hierdoor kan de overheid haar actieve participatie als gebiedsmanager verlagen. Voor de initiatiefnemer is er dus een constante afweging tussen snelle winst maar een minder sterke, innovatieve samenhang of een langzamere, afgewogen ontwikkeling met hoger financieel risico.

Dat bedrijven moeten meewerken aan de regionale aantrekkelijkheid betekent echter niet dat dit nadelig is voor bedrijven. Dat de campus snel haar kritieke massa haalt is ook in het belang van de gevestigde bedrijven. In kennisintensieve sectoren is het ongepland delen van roddels, ideeën, advies en strategische informatie zeer belangrijk zijn. Deze informele uitwisseling van informatie worden vaak samengevat in het vage begrip ‘local buzz’. Door colocatie van de juiste mensen zou dit fenomeen ontstaan. Het concept laat echter niet zien waarom interactie belangrijk is. Voor ondernemers is interactie namelijk een middel en geen doel op zich. (Heebels, 2012 pp. 51; 89-91). Heebels (2012) stelt in haar onderzoek naar uitgevers in Amsterdam dat ‘local buzz’ niet enkel draait om het uitwisselen van kennis maar ook om vertrouwen en reputatie op te bouwen. De meeste studies naar innovatie kijken alleen naar de eerste functie. Heebels (2012) stelt dat, na naar alle functies te hebben gekeken, voornamelijk vertrouwen opbouwen en selectie van contacten belangrijke functies zijn van persoonlijk contact.

Een self-reinforcing dynamic: Door het veelvoud van samenwerkingsverbanden op een campus is de subjectieve perceptie van de belanghebbenden van de ruimte belangrijk voor het succes van de ruimtelijke ontwikkeling.

Het concept local buzz laat echter wel één ding zien. Dat een locatie waar wordt gesproken en waarover wordt gesproken wordt gezien als een plaats van waarde. Een campus waarop mensen het gevoel hebben dat er iets gebeurd en waar ook media aandacht voor is bouwt de reputatie op van een effectieve campus. En zo valt de uitspraak van Kooij, Assche en Lagendijk dan toch te bekritiseren. Veel retoriek heeft misschien op het eerste oog weinig zakelijke effectiviteit, maar leidt wel tot de opbouw van een imago dat het gebied ten goede komt. Reputatie bestaat uit drie factoren volgens Heebels (2012). Dit zijn resultaten uit het verleden, publieke representatie en de omgang binnen het netwerk. Zonder de resultaten spreken we van het imago. Dit imago blijkt dus zeer bepalend voor de aantrekkingskracht van een campus. Het vereist inspanningen van bedrijfsleven, overheid en kennisinstellingen.

Mijn inziens is de campus een gebied dat profiteert van een inspirerende visie. Door de hoge eisen en idealen als open innovatie wordt vertrouwen gekweekt. Local buzz en bijbehorende media-aandacht bevestigen een imago. Door het harde werk van de lokale kenniswerkers en ondersteuning vanuit het netwerk van overheden, bedrijfsleven en kennisinstellingen wordt het imago van een campus omgezet in een reputatie. En op het moment dat een campus een positieve publieke reputatie heeft opgebouwd kan worden gesproken van een succesvolle gebiedsontwikkeling.

Peter Oosterloo