Stadtwanderung

De stadswandeling; voor velen een fijne manier om hun vrije dag te besteden. Laat het nu net vakantie zijn, goed om dus stil te staan bij dit fenomeen. Het lekkere weer nodigt uit om rond te dwalen door de oude stadscentra van Amsterdam, Utrecht of Venetië. Door te lopen kom je op het straatniveau en voel je betrokkenheid bij het lokale leven. Bovendien biedt wandelen meer keuzevrijheid om mee te doen aan spontane, opmerkelijke gebeurtenissen. Tijdens je vakantie heb je bovendien de tijd om af te dwalen van de route mocht je iets interessants zien (Stevens, 2007). Maar wat bepaalt je route? Hoe loop je eigenlijk? En wat is het effect daarvan?

Door te wandelen heb je de keuzevrijheid om mee te doen met het lokale leven.
Door te wandelen heb je de keuzevrijheid om mee te doen met het lokale leven.

In de literatuur wordt wandelen vaak behandeld in relatie tot winkelen. Niet heel raar want voor veel stadstoeristen is winkelen een van de belangrijkste bezigheden. Door Kemperman (2008) wordt een onderscheidt gemaakt tussen hedonistische winkelaars die de stad in gaan voor hun plezier en op zoek zijn naar een ervaring. Aan de andere kant zijn er pragmatische winkelaars, zij gaan de stad in met een duidelijk doel. In de ontwikkeling van de stad krijgt zeker de eerste categorie steeds meer aandacht. Fokko Kuik, ambtenaar van de gemeente Amsterdam stelt dat het netwerk voor voetgangers in het centrum steeds meer prioriteit krijgt (NRC, 2014). De NRC correspondent zegt dat hij hier goede reden voor heeft. Naast redenen voor het milieu, verkeersveiligheid en de gezondheid is er nog een motivatie: De voetganger is namelijk een wandelende kassa.

Ga het maar na in je eigen gedrag, winkelen met een fiets of auto brengt je vaak naar één winkel waar je een product haalt om vervolgens weer te vertrekken. Iemand die de stad in wandelt, zoekt vaak niet uitgesproken één bepaald product maar maakt liever een rondje langs alle winkels. Zij zijn dus veel langer in de stad en geven meer uit. Door te wandelen krijgen winkelaars bovendien veel meer behoeftes. Als je moe wordt moet je zitten, je moet naar het toilet of krijgt dorst en honger. Verwacht dus binnenkort maar meer bankjes, schaduwplaatsen of toiletten in de openbare ruimte van je woonplaats. Allemaal met het doel om de wandelaar langer in het centrum te houden. Om je een inspirerende ervaring op te wekken worden monumentale panden gerenoveerd en wordt historisch karakter behouden of zelfs gecreëerd (Kärrhol, 2008).

Eerder werd de vraag gesteld: hoe loop je eigenlijk? Wunderlich (2008) maakt een opdeling van drie manieren van lopen: doelbewust, dwalend of speculatief. De eerste manier laat zich gemakkelijk uitleggen als de manier om van ‘A naar B’ te komen. Bij een dwalende wandeling is er geen ‘B’ maar zoekt men de ervaring van de ruimte en tijd. Speculatief lopen is het experimenteren met het lopen zelf. Denk hierbij vooral aan het hinkelen, huppelen van kinderen of het zoeken naar nieuwe technieken om de stad mee te doorkruisen van free runners.

Hoe deel je jouw stadswandeling in?

Veel toeristen gaan bij het kiezen van hun routes uit van een aantal highlights die zij gezien moeten hebben. Highlights kunnen toeristische trekpleisters zijn maar ook grote winkelketens. Vanouds is bijvoorbeeld de Demer in Eindhoven bekend door de connectie tussen de Bijenkorf en V&D. Borgers en Timmermans (2005) noemen dit ook wel ‘node-to-node’ lopen. Waarbij men na elke highlight kiest hoe de route verder wordt vervolgd. Men loopt tot een ‘point of choice’ wordt bereikt. Keuzes die daarna worden gemaakt worden berust op de relatieve aantrekkelijkheid, aantal winkels in een straat, andere voorzieningen, het historische karakter en de toegankelijkheid.

Hierboven op komt dat mensen vaak niet graag twee keer door dezelfde straat lopen. In Dordrecht liepen mensen vaak straten in waar de winkelvoorzieningen opeens stopten, hier moesten zij dan omdraaien om terug te keren naar andere winkels, het station of hun auto. Om deze reden werd het winkelgebied onaantrekkelijk gevonden. Als oplossing bouwde men tunnels in de begane grond van gebouwen aan het einde van winkelstraten zodat men gemakkelijk kon doorsteken naar een andere, nieuwe straat. Het van straat naar straat lopen noemt Kemperman link-to-link lopen.

Van het ontdekken van de stad krijg je honger en dorst.
Van het ontdekken van de stad krijg je honger en dorst.

Vanuit de theorieën kan gereflecteerd worden op de manier van lopen en je keuze voor routes. Maar behalve reflecteren op lopen is recentelijk ook bewezen dat lopen goed is voor je reflectie. Oppezzo en Schwartz (2014) laten zien in hun psychologische experiment dat wandelen prikkelend is voor de creativiteit. Er was het vermoeden dat de buitenlucht misschien van invloed zou zijn. Maar hier is voor gecontroleerd door testpersonen binnen te laten wandelen en buiten mensen rond te rijden in een rolstoel. Mensen die liepen presteerden beter in creativiteitstests, zelfs nog even na het lopen. Dat sommige mensen ijsberen, is dus eigenlijk heel slim.

We zien wandelen door de stad als een ontspannende bezigheid. Bovendien inspireert de omgeving ons en zet het onze grijze massa aan tot denken. Je route wordt bepaald door keuzes tijdens de route of een planning vooraf. Als je vooraf plant bedenk dan wel dat je mag afwijken van je route. Door de toenemende creativiteit is dit zelfs te verwachten. En omdat ‘of the beaten path’ vaak hele interessante gebeurtenissen en plaatsen te vinden zijn kan ik alleen maar meer aanraden om af te dwalen van de bewandelde paden.

Peter Oosterloo

Advertenties

Istanbul and The Socially Sustainable City

Many cities have invested to become more desirable places to visit, live in, and invest in. Civic boosterism is one the main tools in the shed of municipalities trying to compete over global capital. Around the world physical redevelopment, event hosting, and city marketing are embraced to achieve the economical and social goals of the city. It is all based on the theory that once capital is accumulated it will benefit all residents of a city (Harvey, 1989). But some researchers figure reality appears to be different. Urban entrepreneurialism seems to lead to marginalisation of the city’s residents. It only focuses on the consumption role of the city and less on the residential function. This path of policy leads in different extents to disparity and also friction (Eisinger, 2000).

In this paper it will be explored what it takes to make a city more socially sustainable, providing both for wealth distribution in favour of its citizens as well as a strong economical position. Is it possible to surpass the friction that comes with opening up to the visitor class? Or more holistic: what does it take to make physical redevelopment in cities more socially and economically sustainable?

Sustainability is about a balance between environment, people and economics. In this research the environmental factor is left out because the role of environmentalism in planning is very different from the social aspect. Though, in practice the three pillars can not be seen as exclusive.

The goal of this research is to find a socially more agreeable alternative to the negative effects of top-down large scale gentrification. Hopefully this paper can aid policy makers in achieving to create and sustain a socially balanced city.
Over the course of this research the following subjects shall be discussed: The shift from managerialism to entrepreneurialism, socio-economic disparity as a result of flagship regeneration, the misconceptions of holistic sustainable development, challenges in collaborative planning, and answers to these challenges.

The aforementioned social friction, as a result of large scale top-down planning, has appeared all around the globe, but recently has become very evident and tenacious in Istanbul, Turkey. Planned redevelopment of the Taksim Square has led to an outburst of resentment against the top-down policies of the Turkish national government led by premier Erdogan (The Economist, 2013) (picture 1). Throughout this research the occurrences in Istanbul shall be used as an image.

Winners and losers

In 1989 Harvey wrote on the shift from managerialism to entrepreneurialism – also known as civic boosterism. He argues that due to global neoliberalisation cities have to compete over international capital. The implication of this is a new attitude in governing cities. Governments no longer put focus on wealth distribution but now shift towards wealth accumulation. The underlying argument for this is that the accumulated wealth will then spread out and benefit the whole population of a municipality. This spill-over effect is put forward by Dair and Williams (2004) as follows:

“Many see economical growth as necessary to sustainability as it provides the financial resources for technical advancement required to solve environmental problems [and social disparities]”

The implications of this, according to Harvey, are more:

1. public-private partnerships,
2. public risk bearing, and
3. a focus on place instead of territory.

In other words, governments undertake projects with public assets to make a profit. These projects are undertaken with businesses but to make these partnerships attractive the risks are carried by the public. While for the public public-private partnership should cut costs. The direct focus of the projects are on specific places and not to the benefit of the whole region. But again, it is claimed that a water-bed effect is to follow the accomplishments (Harvey, 1989). Harvey describes the following common strategies to achieve the described goals:

1. exploitation of regional advantages,
2. improving spatial division of consumption,
3. struggle over key control points, and
4. redistribution through government functions.

The first strategy means that a region focuses on the resources that are special to that place. Harvey uses the oil boom in 1970s Texas as an example. Second is improving the spatial division of consumption. According to Harvey this implies that the city concentrates on an ever broadening basis for mass consumption. Third is the struggle of key control points, which entails that a city tries to attract finance and ancillary businesses. Last is the strategy to relocate government functions to peripheral regions (Harvey, 1989).

According to Doucet (2009) the second pillar of Harvey’s strategies raised a lot of interest during the 80s and 90s. Many cities argued that they should reposition themselves in the global market by (re)developing commercial space. This led to a boom in iconic spaces that are often named flagship projects.These flagships were meant as catalysts for a wider influx of wealth (as described earlier by Harvey). Throughout Europe and the USA this led to a rush in building convention centres, themed tourist malls and aquariums. Doucet argues that still this policy is strongly embedded in governmental policy. Luxury apartments, warehouse conversions, museums and iconic architecture are built to create wealth, attract affluent residents, produce tourist destinations, and, overall, pursue profit (Doucet, 2009).

In Turkey similar neoliberal policies can be seen, so-called mega projects have been started by the increasingly authoritarian national government to instigate international competition. Along with political stability these investments have brought Turkey and mainly Istanbul a huge growth in wealth. Overall the Turkish economy has grown about nine percent annually and as a result the average per capita income has trebled over the last decade (The Economist, 2013).

Over time flagship projects have been scrutinised heavily for not achieving all their goals. Eisinger (2000) argues that the main problem is that these projects are not for residents but for the so called visitor class. His argument is mainly based on stadiums, convention centres and festival malls (places of consumption). He states these flagship projects cost great amounts of public resources which is invested with a huge risk factor. This process draws away liquidity from real public tasks – housing, security, education and health. He also questions whether flagship regeneration would lead to more socio-economic opportunities for local residents. Eisinger argues that this argument is untrue as the building sector only benefits for a short term and after this the provided employment opportunities consist of low paid service jobs without a chance of socio-economic advancement – cleaners, food service, commercial sales (Doucet, 2009). Most of the revenue is not acquired by the public but by private businesses and so Eisinger (2000) raises the question whether the flagship projects he researched are actually public affairs to begin with.

Doucet (2009) discusses the case of Baltimore and sees more negative effects of flagship projects beside those for the public’s finances. He puts forward that flagship regeneration creates islands of wealth, meaning that the regenerated space is a wealthy centre with adjacent low income neighbourhoods. As the city tries to stay competitive the constant investment in the centre creates even stronger polarisation and puts a heavier constraint on local finances. For the excluded residents successful flagship regeneration might also mean displacement. Doucet argues that if a successful flagship project attracts high wealth residents this starts gentrification in adjacent neighbourhoods. The local population subsequently gets pushed out by the rising land value. (Doucet, 2009). This process shows overlap with Harvey’s focus on places instead of regions and evidently could result in social friction.

For over three decades the Turkish government has been redeveloping neighbourhoods to change the economic, and as a result social, structure of Istanbul. On a neighbourhood scale gentrification is induced. According to Kuyucu and Ünsal (2010) these mega projects lead to displacement of the locals and disproportionate divisions of profits. The displaced people are not cared for thereafter. There is no projects concerned with building social housing for the displaced. Premier Endogan wants to reinvent the image of the city before the 100 year celebration of the Turkish Republic. The latest projects include up-scale apartments, shopping malls, a third airport, and a third bridge over the Bosporus. Sceptics fear for a water shortage because green zones are substituted by new neighbourhoods to accommodate population growth. (NRC, 2012). As a result of undemocratic restricting strategies the public goes protesting. The public is done with being overruled and displaced and take their anger to the streets before development takes place. In the neighbourhood of Basibuyuk this process has created protests which have been struck down by state police in 2008. And in 2013 the plans to redevelop the Taksim Square have caused rioting. The plans involve a mosque on the place of a park and a shopping centre (picture 2). City planner Atlar comments that the city must become modern and pious, like Dubai. This happens to discontent of a large minority who regard Taksim square as the place for free speech, protest and secularism. So the conflict is also a conflict of ideologies and (sub-)cultures (NRC, 2012). The resulting national protests work very counter-productive to the economical position of Turkey and in consequence to the envisioned competitive attractiveness of Turkey for global capital. For example, in the election race for the 2020 Olympics that will be held on the 7th of September Istanbul lost its position as charts leader to Tokyo (NRC, 2013). In effect, the top-down policies actually harm competitiveness because of subsequent social friction.

A new hope
Doucet (2009) has proposed an alternative to the top-down redevelopment methods that are described above. One major shift in contemporary urban regeneration is the use of local community input and participation. A focus back to the (deprived) community means a real change in urban governance (Doucet, 2009).

Miles and Paddison (2005) agree that a shift is needed. They plead against culture-led urban regeneration (this policy is in line with the earlier described civic boosterism where  the consumption of culture is used as a source of prosperity). The discourse builds upon Richard Florida’s creative class theory (2002): cultural input can realise socio-economic output, because creative industries empower locals and attract post-modern urban economies. The problem with flagship regeneration according to Miles and Paddison was actually that it is just too holistic. They claim that it puts a lot of strain on culture to use it as a top-down intervention method. According to Miles and Paddison culture cannot be expected to achieve goals but should be allowed to be flexible and situational. In their writing they acclaim the recent shift in the UK: away from landmark projects conducted by corporations that are only accountable to economical shareholders and the government, towards locally oriented redevelopment to achieve more sustainable communities. (Miles & Paddison, 2005).

In the 1990s, with New Labour in the seat of power, the redevelopment agenda changed in the UK. The government spoke of an urban renaissance, as a reaction to two decades of neoliberal policy. The renaissance stands for the rebirth of the marginalised city areas. Raco (2007) defines the New Labour policy by the hand of four points:

1. high quality of design,
2. environmental responsibility,
3. social well-being, and
4. effective and accountable local governance.

The goals of this new policy were actually quite similar to the neoliberal policies: to create physically and socially attractive spaces. Though the focus moved towards the deprived neighbourhoods, the interventions were still state led. Over the 2000s this policy was further enhanced. New Labour made a change towards a new vision based on engaged citizens’ communities instead of dependency – communitarianism. The goal of the policy is creating sustainable communities. This discourse revolved around a relational citizenship. This means that citizenship is more than coming from a place; it is about the the actual role that an individual has in the community and the meaning of the community for the individual. In urban planning this implicates that communities are engaged in developing the built environment through co-production with involved actors (Raco, 2007). It might seem that community involvement takes away most of the problems that came with the top-down method of the late 20th century. But there are some initial misconceptions that should be resolved to make the sustainable communities actually sustainable.

The ambiguity of sustainability

In their 2007 writing Evans and Jones start their scrutiny on community involved planning by bringing forth the ambiguity of sustainability. They argue that downscaling the involved government and collaborative planning are not enough to guarantee sustainable development. Sustainability is about people, planet, and profit. In other words, it is about social, economical, and environmental balance. Evans and Jones argue that collaborative planning does not achieve these goals by definition. They critique community involved planning on three points:

1. compromises in negotiations enables the economic agenda,
2. growth overrules sustainability, and
3. partial interpretation of sustainability enables tensions and delays policy.

With the first point Evans and Jones claim that on every level of government there is an ambivalent attitude to constantly reinterpret projects’ aim towards an economic discourse. Because the definition of sustainability is very idealistic it can be interpreted to enable the economic agenda. In line with this argument is the second point of Evans and Jones’ plea. In situations where multiple solutions are competing there is a strong bias towards those that produce visible economic growth instead of those that provide sustainable value. The third argument is against the way that community planning can be delayed by non-relevant and old tensions being revived. All the above situations are in favour of more powerful actors. Evans and Jones point out that in these situations economical actors can actually hijack the planning process to get their favoured solutions executed. If so, they argue, local empowerment gives power to the wrong stakeholders and therefore undermines the new system actually creating mistrust (Evans & Jones, 2007). And this implies that the policy still leads to an unsustainable social environment.

Evans and Jones remain quite vague on the process of hijacking. Luckily, Atkinson (1998) is more thorough on this topic. He uses three arguments to show how the organisation of community involved planning can actually empower the most powerful economic actors instead of the marginalised residents of in a neighbourhood. His critique is based on the Involving Communities in Urban and Rural Regeneration: A Guide for Practitioners, a guide for governments by the UK’s Department of Environment (1995). His three main points are:

1. organising structures are subject to power relationships,
2. external competition recreates hierarchical roles, and
3. community representatives lack the resources to compete equally.

In his first point Atkinson argues that more powerful actors are usually involved much earlier in the planning process. This implicates that these actors can choose when to address the public. In other words, the community only gets involved where the powerful actors think this is necessary. This could be at the implementation stage of the project, thus rendering any critique too late because everything is already set in to motion. In this argument also fits the notion that there almost never is a single community. A neighbourhood is composed of multiple communities with different interests. And so there could be a selection of stakeholders by government and financial actors (again an indicator of power). The second point implies that powerful actors can make the community believe that because of external competition some measures are just necessary, putting social challenges in the back-seat. Atkinson’s third point is that community representatives lack the resources to bring their own interests to the table. Even if the community has equal representation, these actors lack the resources (knowledge, financial power) to really get their opinions heard. Atkinson says that some governments try to overcome this lack of power by training the involved representatives. But Atkinson questions the meaning and implications of these trainings. He thinks that some of these trainings are only meant to get the community on board of the economic discourse. By, what he calls, the mode of rationality, a discourse that shows that all problems are to be challenged by economic growth. Of course, on the other hand, training could also serve to develop confidence, skills and knowledge to empower the representatives (Atkinson, 1998).

Evans and Jones (2007) propose a solution to the above discussed problems. They argue that the holistic, idealistic approach of sustainable development should be abandoned. According to them it is all about recognising that sustainability is an ambiguous term that leads to discussion. And therefore sustainability is an unclear goal and should be approached pragmatically. Stakeholders should be very clear about their frame of reference and what they argue to be desirable. These context specific notions should be discussed through high engagement from all parties in a dialogic model. Evans and Jones mean that intensive exchange should lead to sustainable, innovative and creative places that are highly desirable (Evans & Jones, 2007).

It is of course premature to claim that well executed community involvement could prevent the social unrest that occurred in Turkey. But actually one of the main critiques on the development plans of the Taksim Square is that the public was not involved at all (NRC, 2013). Many reporters conclude that the Turkish democracy is still maturing. One of the arguments that they bring forth is that the main protesters shunned away from violence (picture 3). Also, the secular minded protesters have cast off their dependency of the army which, historically, preformed a coup d’etat in such occasions. Thirdly, Erdogan has apologised for the violent behaviour of the police. And recently the government has partially given in to the protesters to change the plans of the restructuring. Instead of a mall there shall be a modern arts museum (The Economist, 2013, 3). Istanbul wants to be a competitive city and so equitable community involved planning as described above can be a resort to avoid future unrest. It remains the question whether the national government can be self-critical to trust their development plans to more locally oriented authorities and residents. One of the protesters, Meryam Goksu, reacts:

“[It is not that we do not want the new shopping mall or the new bridge over the Bosporus]… But ask us for once what we think of it … Listen to the opposition.” (NRC, 2013)

Conclusion
In conclusion, what can be done by governments to make their physical redevelopment projects more socially and economically sustainable? This research has shown that over time a more democratic alternative is being developed to introduce local residents in to the planning procedure. But involving the community is not a guarantee for sustainability. Because of the ambiguity that idealistic plans have this may lead to empowerment of the wrong actors; once again putting emphasis on economic discourse instead of also including the social challenges of a neighbourhood. Governments should give attention to equal empowerment. This can be done by training the community representatives and also by having an extensive dialogue with all parties on an equitable level. The benefit of extensive exchanges is that it can also lead to more innovative and creative solutions for problems. And being innovative and creative are two ideals for many cities that want to attract attention in the global arena.

Peter Oosterloo (2013)

Van Wie is een Lokale Identieit?

Omwille van mijn master Stadsgeografie gingen ik en mijn studiegenoten in maart op excursie naar Berlijn. Berlijn is door haar grote dynamiek een zeer interessante locatie om te bezoeken voor ons stadsgeografen. In dit blog wil ik duidelijk maken dat kijken naar de symbolische en fysieke ontwikkeling van Berlijn ook interessant kan zijn voor iedereen die bezig is met regio’s. De lessen die we van de geschiedenis van Berlijn kunnen leren kunnen we meenemen in het uitvinden van de regionale identiteit.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Bijna vijfentwintig jaar geleden viel de Berlijnse muur. Deze historische gebeurtenis liet de stad letterlijk gesplitst achter. In het oosten het oud-communistische deel en aan de andere kant de kapitalistische zijde. Na een korte periode van euforie kwam de stad terecht in een periode van wanhoop. In 1994 werd duidelijk dat de Olympische Spelen naar Sydney gingen en niet naar Berlijn. Niet alleen miste de stad deze kans maar het werd in deze tijd ook duidelijk dat grote bedrijven niet van plan waren terug te keren naar de hoofdstad; Siemens bleef in München, AEG en de banken bleven in Frankfurt. De verwachting dat Berlijn snel zou terugkeren naar haar oude plaats op het wereldtoneel voor 1930 bleek een illusie. Sceptisch over hun toekomst trokken grote delen van de bevolking weg naar West-Duitsland.

Berlijn in de late jaren negentig was verpauperd en onaantrekkelijk. De gemeente bezat geen geld om dit om te keren. Door megalomane projecten aan de Potzdammerplatz was zij bankrupt en er kwamen geen bedrijven om de nieuwe kantoren te vullen. De overheid kon geen grote verandering meer doen in de leefsituatie van de lokale bevolking door haar oplopende schulden. De inactiviteit van de gemeente maakte echter ruimte voor actieve bewoners. Op braakliggend terrein en in leegstaande fabrieken in Oost-Berlijn vonden kunstenaars en cultureel ondernemers, voornamelijk uit West-Berlijn, goedkope ruimte om hun bezigheden uit te voeren. Op deze manier vonden zij een nieuwe identiteit uit voor gebouwen die gedurende deze periode werden geassocieerd met armoede, faillissement en communisme. De lokale bevolking kwam dit vaak ten goede omdat zij meehielpen bij de organisatie en profiteerden van ondernemingen zoals muziekscholen, bioscopen voor daklozen, boulderbanen en meubelmakers. Het Berlijn dat wij nu kennen bouwt voort op het heruitvinden van armoede. In 2004 werd dit duidelijk officieel omarmd toen de stad koos voor het motto “Berlin: Arm aber sexy”. In de tien jaar die volgden werden obscure locaties steeds hipper. Kapitaalkrachtige jongeren uit binnen- en buitenland trokken naar de stad en op slag veranderden hele wijkgezichten. Wat eerst werd gezien als afstotelijk of alternatief is nu commercieel geaccepteerd. Zo vind je in Berlijn bedrijven die graffiti gebruiken op hun panden als marketingtool en rauwe nachtclubs die worden gesponsord door grote merken zoals Converse. Grote merken identificeren zich graag met de cultuur van Berlijn. Zo kozen Universal Studios en MTV om hun Europese hoofdkantoren in Berlijn te openen. Zij eisen hierbij een nieuw kantoor, deze grootschalige herontwikkeling gaat ten koste van alternatieve ontwikkelingen. Zoals de Berlijnse stadsstranden die zich hadden geworteld op deze aantrekkelijke locaties. Omdat deze informele gebruikers vaak geen huur betalen brengt de grond economische gezien niet genoeg op. Sociale en culturele waarde werd echter vaak niet meegerekend.

Het bovenstaande laat duidelijk zien dat stedelijke identiteit een dynamisch iets is. Er wordt als het ware verder gebouwd aan wat er is. De manier waarop naar de sociale en fysieke ruimte wordt gekeken is leidend in het uitvinden van deze identiteit. En uit Berlijn blijkt dat creativiteit een grote rol kan spelen bij het omvormen van ons beeld van wat aantrekkelijk is.

Is iedereen het dan zo eens met die nieuwe identiteit? Berlijn zou zichzelf niet zijn als reactie ook een tegenreactie kon verwachten. Grote acties zijn gevoerd tegen de ontwikkeling van de kantoorpanden van MTV en Universal Studios aan de Spree. Ook zelf merkte ik het protest op meerdere keren werden we uitgescholden door bewoners. Op sommige plekken was protest ook te zien in de vorm van graffiti (fuck Mediaspree) en spandoeken (Berlin doesn’t love you). Kortom, de oorspronkelijke bewoners zijn niet zo zot op de mensen die als toerist of nieuwe inwoner komen meegenieten. Mensen voelen zich bedreigt omdat hun dagelijks leven, en vooral de armoedige kant daarvan, wordt
gezien als hip en aantrekkelijk. Is het inderdaad niet vreemd dat we foto’s maken van een huis omdat het onder de verf zit, vuilniszakken op de balkons heeft de ruiten zijn ingegooid?

Uiteindelijk komen dit soort kwesties neer op “wie heeft het recht op de stad?”. Door werkeloosheid, kapitaaltekort en een ondernemende bevolking hebben in Berlijn meerdere stemmen kunnen spreken. Met een inspirerende ontwikkeling van sociale innovatie als gevolg. Het is echter nog maar de vraag hoelang echte informaliteit blijft bestaan. Commercialisering maakt uiteindelijk de informele cultuur tot een product en hierdoor verdwijnt haar dynamiek. Onze begeleider liet niet voor niets vallen dat over een jaar of twee Berlijn niet meer de interessantste plek zou zijn om te bezichtigen in Europa.

In conclusie, wat kunnen we leren van Berlijn als we zelf werken aan een identiteit? Ten eerste dat identiteitsvorming niet alleen het resultaat is van een zak geld maar voornamelijk van gezamenlijke inzet. Zoals cultureel ondernemer Matthias Einhoff ons vertelde: “een goede ontwikkeling begint met een idee, het geld volgt wel”. Bovendien is aantrekkelijkheid subjectief. De gehele ruimte hoeft niet schoon gemaakt te worden, creativiteit kan herbestemming mogelijk maken. En informaliteit kan ruimte bieden aan nieuwe experimenten, dat betekent dat af en toe de overheid een ontwikkeling door de vingers kan zien. Dit laat ook zien dat experimenteren met identiteit inherent is aan een duurzame identiteit. Alleen als imago zich blijft ontwikkelen blijft deze bij de tijd. Bij deze ontwikkeling is het belangrijk om als aanjager ook ruimte te bieden aan andersdenkenden maar vooral aan gebruikers. Omdat één groep nu eenmaal niet dynamiek kan garanderen. Iedere burger en elk bedrijf moet het recht kunnen nemen om de ruimte en lokale identiteit te gebruiken en naar kunnen te verbeteren. Berlijn laat zien dat passie leidend is bij het heruitvinden van plaatselijke identiteit. Hiermee verover je een plek binnen de internationale competitie en dan volgen de investeringen wel. En als dat eenmaal zover is, is het juist een uitdaging om spannend en aantrekkelijk te blijven.

Peter Oosterloo